De constante kosten zijn β¬ 100.000. De verkoopprijs is β¬ 11 en de variabele kosten zijn β¬ 3 per stuk
Bereken de break-evenafzet: BEA = (ππππ π‘πππ‘π πππ π‘ππ)/ππππππππ ππππππππ
Bereken de break-evenomzet: BEO = BEA x verkoopprijs
BEA = (β¬ 100.000)/(β¬ 8) = 12.500<div><br></div><div>Let op: komt de BEA niet uit op een rond getal en heb je te maken met stuksproductie? Rond het getal dan af naar boven. </div>
BEO = BEA x verkoopprijs = 12.500 x β¬ 11 = β¬ 137.500
Slide 13 - Slide
Berekenen variabele kosten en constante kosten
Bij een productie van 40.000 stuks zijn de totale kosten β¬ 245.000
Bij een productie van 45.000 stuks zijn de totale kosten β¬ 260.000
Marginale kosten => extratotale kosten voor het maken van 1 extra product.
In Β§ 2.4 hoe we de MK gaan gebruiken om te bepalen hoeveel er gemaakt wordt.
Slide 15 - Slide
Slide 16 - Slide
Marginale kosten
De MK zijn de extra totale kosten bij het produceren van 1 extra product (1 extra hoeveelheid, q).
Als de totale kosten steeds harder stijgen, stijgen de marginale kosten dus steeds.
Slide 17 - Slide
Bij de volgende afbeelding:
Je ziet de prijs, gemiddelde opbrengst (GO) en marginale opbrengst (MO) bij verschillende hoeveelheden productie. Waardoor zijn deze drie aan elkaar?
Slide 18 - Slide
Slide 19 - Slide
Weet je het nog?
Waarom verschillen de opbrengstenfuncties per marktvorm?
Slide 20 - Slide
Hoeveel bedraagt de maximale winst?
Maximale winst bij MO = MK, P op vraaglijn => P = β¬ 50<div>GTK (β¬ 25) eraf. 50 - 25 = β¬ 25 winst per product.</div><div>Hoeveel producten q = 25. TW = 25 x 25 = β¬ 625<br><div><br></div></div>
Slide 21 - Slide
Waar is de winst maximaal?
A
Bij een hoeveelheid waarbij MO > MK
B
Bij een hoeveelheid waarbij MO < MK
C
Bij die hoeveelheid waarbij MO = MK
Slide 22 - Quiz
P = MO = GO
Slide 23 - Slide
Producentensurplus
Verschil tussen wat producenten ontvangen voor product en waarvoor ze bereid waren het te leveren.
Als prijs hoger is dan waarvoor ze wilden leveren => krijgen ze meer middelen dan ze nodig hadden.
Maatstaf voor hoe goed de situatie is voor producenten => welvaart voor producenten.
Slide 24 - Slide
Consumentensurplus
Verschil tussen wat consumenten bereid zijn te betalen en wat ze echt moeten betalen.
Als prijs lager is dan betalingsbereidheid => hoeven ze dus minder middelen te besteden dan ze ervoor over hadden.
Maatstaf voor hoe goed de situatie is voor consumenten => welvaart voor consumenten.
Slide 25 - Slide
Bedrag waarvoor producenten bereid zijn te leveren => Qa lijn <div><br></div>
Slide 26 - Slide
Slide 27 - Slide
Qa = 50p - 500 en Qv = -200p + 3000 Wat is de evenwichtsprijs?
Slide 28 - Open question
Marktevenwicht
Aanbodlijn: Qa = 50p - 500
Vraaglijn: Qv = -200p + 3000
Marktevenwicht: prijs waarbij de vraag precies gelijk is als het aanbod => Qa = Qv
50p - 500 = -200p + 3000
250p - 500 = 3000
250p = 3500 => p = 3500 / 250 => p = 14
Slide 29 - Slide
Qa = 50p - 500 en Qv = -200p + 3000 Wat is de evenwichtshoeveelheid?
Slide 30 - Open question
Marktevenwicht
Aanbodlijn: Qa = 50p - 500
Vraaglijn: Qv = -200p + 3000
250p = 3500 => p = 3500 / 250 => p = β¬ 14
p = 14 invullen in Qa of in Qv
Qa: 50 x 14 - 500 = 200 of
Qv: -200 x 14 + 3000 = -2800 + 3000 = 200
In evenwicht: prijs is β¬ 14, hoeveelheid is 200 stuks
Slide 31 - Slide
Kartel vs Fusie
Slide 32 - Slide
gevangene dilemma
Slide 33 - Slide
Zou je verwachten dat de vraag naar benzine op de korte termijn elastisch of inelastisch is?
A
Elastisch
B
Inelastisch
Slide 34 - Quiz
Welke van deze Ev (prijselasticiteit van de vraag) is NIET inelastisch maar elastisch?
A
-2,0
B
-0,5
C
0
D
0,99
Slide 35 - Quiz
Welk verband bestaat er normaliter tussen de prijs van een product (P) en de gevraagde hoeveelheid (Qv)?
A
Een positief verband
(Pβ β Qvβ & Pβ β Qvβ)
B
Een negatief verband
(Pβ β Qvβ & Pβ β Qvβ)
C
Beiden zijn mogelijk en komen evenveel voor.
D
Er is geen verband, P heeft geen invloed op Qv.
Slide 36 - Quiz
Zou je verwachten dat de vraag naar Mars-repen elastisch of inelastisch is?
A
Elastisch
B
Inelastisch
Slide 37 - Quiz
Hoe hoog is de subsidie?
Slide 38 - Slide
Hoe hoog is de subsidie?
A
β¬0,25
B
β¬0,50
C
β¬0,75
D
β¬1,00
Slide 39 - Quiz
Een onderneming die naar maximale totale winst streeft, maakt 20.000 producten en heeft dan winst. De totale constante kosten bedragen β¬250.000 en de variabele kosten zijn β¬65 per product. Er is nog overcapaciteit. De ondernemer krijgt een eenmalige order en vraagt zich af of hij deze moet aannemen. De klant is bereid om β¬60 per product voor deze order te betalen.
A
Ja, want de extra opbrengst van de order is groter dan de extra kosten.
B
Ja, want de extra order levert per product winst op.
C
Nee, want de extra order levert verlies op omdat de marginale kosten van de order groter zijn dan de marginale opbrengst.
D
Nee, want de constante kosten worden niet terugverdiend.