What is LessonUp
Search
Channels
Log in
Register
‹
Return to search
Grammar Ch3 / 4
Both, all, every, no
1 / 38
next
Slide 1:
Slide
Engels
Middelbare school
mavo
Leerjaar 4
This lesson contains
38 slides
, with
interactive quizzes
and
text slides
.
Lesson duration is:
50 min
Start lesson
Save
Share
Print lesson
Items in this lesson
Both, all, every, no
Slide 1 - Slide
Both, all, every and no
Je gebruikt al deze woorden om uit te leggen
hoeveel er van iets is.
Je zet ze
voor
het woord waar het iets over zegt:
All
students have to do their homework
Slide 2 - Slide
Both
Je gebruikt 'both' (beide)
wanneer er twee van iets is
:
Both
my sisters have moved abroad.
I helped
both
hikers to find their way.
Slide 3 - Slide
Every
Je gebruikt 'every' (elk/elke) om te praten over
meer dan drie mensen, dieren of dingen
.
Na 'every' gebruik je altijd een woord in het enkelvoud
:
Eva signs up for the tournament
every
year
.
Slide 4 - Slide
All
Je gebruikt 'all' (alle) als je het hebt over
een hele groep
.
Na all gebruik je altijd het meervoud
:
All
students
brought their homework to class.
Slide 5 - Slide
No
Je gebruik 'no' (geen) wanneer je wil
duiden op niets
.
There are
no
eggs in the fridge
No
mountain is easy to climb
Slide 6 - Slide
Every vs all
Je gebruikt '
every
' wanneer je
elk individu
van een groep wilt benadrukken.
Je gebruikt '
all
' wanneer je
echt de
hele groep
bedoeld.
I like
every
person here.
I like them
all
.
Slide 7 - Slide
Choose: both, all, every no
_____ my sisters are studying geography.
A
both
B
all
C
every
D
no
Slide 8 - Quiz
Choose: both, all, every no
He had to walk ____ the way home
A
both
B
all
C
every
D
no
Slide 9 - Quiz
Choose: both, all, every no
____ students in the class have to had in the writing assignment.
A
both
B
all
C
every
D
no
Slide 10 - Quiz
Choose: both, all, every no
As you know, ______ problem is too difficult for me.
A
both
B
all
C
every
D
no
Slide 11 - Quiz
Choose: both, all, every no
I sign up for the local tennis tournament ____ year
A
both
B
all
C
every
D
no
Slide 12 - Quiz
I read _____ positive review about the band's performance.
A
every
B
both
C
all
Slide 13 - Quiz
_____ bags are in the car now.
We can go.
A
every
B
both
C
all
D
no
Slide 14 - Quiz
_____ my parents are working from home at the moment.
A
every
B
both
C
all
D
no
Slide 15 - Quiz
I feel like I had _____ sleep at all last night.
A
every
B
both
C
all
D
no
Slide 16 - Quiz
_____ peaches in our garden were ripe at the same time, so we took them to the market.
A
every
B
both
C
all
D
no
Slide 17 - Quiz
Grammar: Used to
Used to = Vroeger deed ik...Maar nu niet meer...
Vroeger heb ik in Den Haag gewoond
I
used to
live in Den Haag
Regel: Used to + Hele werkwoord
Slide 18 - Slide
Grammar: Used to
Hoe maak je deze vorm?
Used to
+
hele werkwoord
I
used to
be
a student.
She
used to
have
braces.
We
used to
play
football.
Voor dingen die vroeger zo waren, maar nu niet meer.
Slide 19 - Slide
Grammar: Used to
The form 'used to' is used with all subjects:
I used to live
He/she/it used to live
we used to live
you used to live
they used to live
Slide 20 - Slide
a / an / the
Slide 21 - Slide
Articles
In het Nederlands: lidwoorden.
Wanneer je in het Nederlands
de
of
het
voor een zelfstandig naamwoord zet, gebruik je in het Engels
the
.
Wanneer je in het Nederlands
een
voor een znw zet, gebruik je in het Engels
a
of
an
.
Slide 22 - Slide
Lidwoord a/an
a
gebruik je voor woorden die beginnen met een medeklinker:
a pet a teacher a bycicle
a car a door a room
Slide 23 - Slide
Lidwoord a/an
an
gebruik je voor woorden die beginnen met een klinker:
an ear an investigation an officer
an apple an Englishman an answer
Slide 24 - Slide
Let op!
De keuze voor
a
of
an
hangt niet af van de (mede)klinker op papier, maar of je hemt
hoort
.
Soms schrijf je een
-h
maar
hoor
je hem niet -> dan gebruik je
a
.
Soms schrijf je een
-u
, maar
hoor
je een
-j
of
- h
-> dan gebruik je an.
Slide 25 - Slide
Voorbeelden
an
hour
(je hoort our)
an
honor (je hoort onour)
a
university (je hoort juniversity)
a
uniform (je hoort juniform)
a
European (je hoort jeuropean)
Slide 26 - Slide
a of an?
..... dog
A
a
B
an
Slide 27 - Quiz
a of an?
..... banana
A
a
B
an
Slide 28 - Quiz
a of an?
.... artwork
A
a
B
an
Slide 29 - Quiz
a of an?
..... house
A
a
B
an
Slide 30 - Quiz
a of an?
.... apple
A
a
B
an
Slide 31 - Quiz
a of an?
.... uniform
A
a
B
an
Slide 32 - Quiz
Tijd
Wanneer
Positief
Negatief
Vragend
Past Simple
* Iets is
afgelopen
ww+ed
didn't + ww
Did + ond + ww
Past Continuous
* iets
was bezig
was/were + ww + ing
was/were not + ww + ing
Was/Were + ond + ww + ing
Past Perfect
* iets gebeurde
voor iets anders
in het verleden
Had + 3e vorm/ww+ed
Had not + 3e vorm/ww+ed
Had + ond + 3e vorm/ww+ed
Slide 33 - Slide
Voorbeeldzinnen past tense
My mother
bought
some new tools yesterday.
The girls
played
in the sand at the beach last week.
What
were
you
doing
at 3 o'clock last Sunday?
I
was taking
a shower when the doorbell rang.
Bob
had
already
bought
the tickets before the film was cancelled.
When I
came
home my mother
had
just
cooked
dinner.
Slide 34 - Slide
Tijd
Wanneer
Positief
Negatief
Vragend
Present Simple
* feiten
* regelmaat
* schema's
I,you,we,they = hele w.w.
She,He,It = hele w.w.+(e)s
don't + hele w.w.
doesn't + hele w.w.
Do + ond + hele w.w.
Does + ond + hele w.w.
Present Continuous
* iets
is nu bezig
* om over iets te
klagen
(always)
* iets gaat
binnenkort
gebeuren (
afspraak
)
am/is/are + ww + ing
am/is/are not + ww + ing
am/is/are + ond + ww + ing
Present Perfect
* iets is eerder begonnen en
gaat nu nog door
have/has + 3e vorm/ww+ed
of
have/has + been + ww + ing
have/has not + 3e vorm/ww+ed
of
have/has + been + ww + ing
Have/Has + ond + 3e vorm/ww+ed
of
have/has + ond + been + ww + ing
Slide 35 - Slide
Voorbeeldzinnen present tense
The girls always
run
away from spiders.
My sister never
does
her homework.
We
are listening
to music at the moment.
Why
are
you always
singing
so badly!?
She
has lived
(has been living) in Breda for twelve years now.
My parents
have been
to France five times so far.
Slide 36 - Slide
Tijd
Wanneer
Positief
Negatief
Vragend
Future Simple
* een
voorspelling zonder bewijs
* een
beslissing nu
* een
belofte
* toekomstige feiten
will + hele w.w.
will not + hele w.w.
Will + ond + hele w.w.
Shall + I/we + hele w.w.
(bij een
voorstel
)
Future Continuous
* iets
gaat bezig zijn
will be + w.w. + ing
will not be + w.w. + ing
Will + ond + be + w.w. + ing
Be going to
* voorspelling
met bewijs
* toekomstige
plannen
Had + 3e vorm/ww+ed
Had not + 3e vorm/ww+ed
Had + ond + 3e vorm/ww+ed
Slide 37 - Slide
Voorbeeldzinnen future tense
I think it
will rain
later today.
We
are going to go
on holiday next year.
My parents
are travelling
to Germany tomorrow.
Next week I
will be lying
on the beach in Portugal.
Slide 38 - Slide
More lessons like this
Both, every, all, no
February 2025
- Lesson with
25 slides
Engels
Middelbare school
mavo
Leerjaar 4
Both, every, all, no
February 2024
- Lesson with
27 slides
Engels
Middelbare school
mavo
Leerjaar 4
Both, every, all, no
February 2025
- Lesson with
31 slides
Engels
Middelbare school
mavo
Leerjaar 4
Quantifiers: each/every/both/all/every/no
16 days ago
- Lesson with
10 slides
Quantifiers: each/every/both/all/every/no
March 2023
- Lesson with
10 slides
Modals + Quantifiers
January 2023
- Lesson with
21 slides
Engels
Beroepsopleiding
Theme 4 - VMBO-4 Grammar
January 2024
- Lesson with
25 slides
Engels
Middelbare school
vmbo t
Leerjaar 4
Theme 4 - Grammar
February 2024
- Lesson with
26 slides
Engels
Middelbare school
vmbo t
Leerjaar 4