HV3 Personalpronomen, Reflexive Verben und Pronomen

Lernziel
  • Ik kan de persoonlijke voornaamwoorden gebruiken in verschillende naamvallen.
  • Ik kan wederkerende werkwoorden en voornaamwoorden gebruiken. 

1 / 43
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Lernziel
  • Ik kan de persoonlijke voornaamwoorden gebruiken in verschillende naamvallen.
  • Ik kan wederkerende werkwoorden en voornaamwoorden gebruiken. 

Slide 1 - Slide

Stappenplan naamvallen = 1: ontleden,
2: voorzetsel, 3: geslacht, 4: groep
Richtig
Falsch

Slide 2 - Poll

Stappenplan bij persoonlijke voornaamwoorden (pers. vnw.) =
A
Groep, ontleden, voorzetsel, pers. vnw.
B
Groep, geslacht, pers. vnw., voorzetsel
C
Voorzetsel, ontleden, groep of geslacht
D
Voorzetsel, ontleden, groep, geslacht

Slide 3 - Quiz

voorzetsels 3e naamval
voorzetsels 4e naamval
mit
entlang
durch
bei
seit
um
gegenüber
bis
von
nach
zu
aus
für
ohne
gegen

Slide 4 - Drag question

       Vertaal de voorzetsels
door
voor
tegen
zonder 
om
tot
durch 
  für
gegen
ohne
um
bis

Slide 5 - Drag question

Persoonlijk vnw. / naamvallen 
De naamvallen in het Duits gebruik je:
- Na een voorzetsel
- Of om aan te geven of het zinsdeel een: onderwerp = 1e naamval, lijdend voorwerp = 4e naamval of meewerkend voorwerp = 3e naamval is. 

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

persoonlijk voornaamwoorden 1e, 3e, 4e naamval

Slide 10 - Slide

Sleep het Duitse persoonlijk voornaamwoord naar het Nederlandse persoonlijk voornaamwoord in de 3E nv.
mij
jou
hem
jullie
haar
ons
het
hen
u
mir
uns
ihm
ihm
ihr
dir
euch
ihnen
Ihnen

Slide 11 - Drag question

Wat wordt de vorm van het persoonlijk voornaamwoord in de 4e naamval? Sleep het juiste antwoord.
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
euch
mich
dich
ihn/sie/es
uns
sie/Sie

Slide 12 - Drag question

Persoonlijk voornaamwoord 4e naamval
Wat betekent 'voor hem' in het Duits?
A
für ihn
B
um dich
C
ohne Sie
D
für sie

Slide 13 - Quiz

Persoonlijk voornaamwoord 4e naamval
Wat is 'om jullie' in het Duits?
A
für dich
B
um euch
C
ohne mich
D
ohne ihn

Slide 14 - Quiz

1e en 4e naamval van:
ik en mij
A
ich - mich
B
ich - mir
C
ich - dich
D
ich - dir

Slide 15 - Quiz

Kennst (jij)..... (hem) .....?
A
du - ihn
B
du - ihm
C
dir - ihn
D
dich - ihm

Slide 16 - Quiz

Mama schickt (hem)... einen Brief.
A
er
B
ihm
C
ihn
D
ihnen

Slide 17 - Quiz

Herr Meisen, was kann ich (u)... anbieten?

Slide 18 - Open question

Ich liebe ... (jou)

Slide 19 - Open question

.... (jij) musst jetzt kommen!
A
Du
B
dir
C
dich

Slide 20 - Quiz

Darf ich ...(jullie) fotografieren?
A
ihr
B
euch
C
ihnen
D
sie

Slide 21 - Quiz

Reflexive Verben & Pronomen
z.B. : sich waschen
Welche reflexiven Verben kennst du schon?

Slide 22 - Slide

Reflexivpronomen
Die Reflexivpronomen  (wederkerend voornaamwoordenmich/mir, dich/dir, uns, euch, sich  beziehen sich auf das Subjekt (onderwerp).  


Slide 23 - Slide

Dativ (3e) oder Akkusativ (4e)?
  • lijdend voorwerp in de zin?  Gebruik het persoonlijk vnw in de Dativ (3e)!
  • GEEN lijdend voorwerp in de zin? Gebruik het persoonlijk vnw in de Akkusativ (4e)!

Akkusativ (4e nv)                           Dativ (3e nv) 
Ich wasche mich.                          Ich wasche mir die Haare.           
Du rasiert dich.                               Du rasiert dir die Beine. 
Wir waschen uns.                          Wir putzen uns die Zähne.
Voorbeeld 'Ich wasche mir die Haare.'.

Die Haare is het lijdend voorwerp in de zin. Ik is het onderwerp.
Wie/ of wat was ik? --> die Haare. 

Omdat er een lijdend voorwerp in de zin staat, moet het wederkerend voornaamwoord dan in de Dativ staan. Je gebruikt dus MIR.

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Video

Reflexive Verben (enkelvoud)
Ich wasche .......
Ich wasche ............. die Haare.
Du wäschst ............
Du wäschst ............ die Haare.

Er wäscht ............
Er wäscht ............. die Haare.

Slide 26 - Slide

Reflexive Verben (meervoud)
wir -> uns
ihr-> euch
sie/Sie -> sich
In het meervoud zijn de vormen van de 3e en 4e naamval hetzelfe.

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Slide

Du ernährst (je) ______immer so gesund!
A
mich
B
mir
C
dich
D
dir

Slide 29 - Quiz

1.    Putzt du__________  die Zähne?
2.   Ich entschuldige    __________ für meine Verspätung.
3.   Ich ziehe __________ die Jacke an.
4.    Fürchtest du  __________ vor der Dunkelheit?
5.    Sie fühlt  __________ nicht gut.
6.   Wir freuen __________ auf die Party.
7.    Mick rasiert __________ den Bart.
8.    Hoffentlich erkältet ihr __________ nicht.
sich
sich
uns
mich
mir
dich
dir
euch

Slide 30 - Drag question

Ich bin ins Badezimmer gegangen und habe
____________vor den Spiegel gestellt. Dann habe ich_________
die Zähne geputzt.
A
mir, mich
B
mir, mir
C
mich, mir
D
mich,mich

Slide 31 - Quiz

Danach habe ich ___________ gewaschen. Ich habe ____________
dann auch noch die Haare gewaschen.
A
mir, mir
B
mich, mich
C
mir, mich
D
mich, mir

Slide 32 - Quiz

zich aankleden - sich anziehen
welke zin klopt?

A
Ich ziehe mich an.
B
Wir ziehen sich an.
C
Du ziehst dir an.
D
Sie ziehen ihnen an.

Slide 33 - Quiz

Ich freue.... schon ........ die Prüfungswoche
A
mir über
B
mich auf
C
dir auf
D
dich über

Slide 34 - Quiz

1. Ich ziehe mir meine Jacke an
2. Ich ziehe mich an
Was ist der Unterschied zwischen den beiden Sätzen?

Slide 35 - Open question

Maak zelf een zin met een Dativ (3e) en één met een Akkusativ (4e):
Gebruik het werkwoord: "sich eincremen"

Slide 36 - Open question

Maak zelf een zin met een Dativ (3e) en één met een Akkusativ (4e) :
Gebruik het werkwoord: "sich kämmen"

Slide 37 - Open question

Wij moeten ons haasten. (sich beeilen).

Slide 38 - Open question

De lerares vergist zich. (sich irren)

Slide 39 - Open question

Ik ben in Arnhem goed bekend.
(sich auskennen)

Slide 40 - Open question

1.    putzen: ___________ du _________ die Zähne?
2.   entschuldigen: Ich ______  _____ für meine Verspätung.
3.    (an)ziehen: Ich ________  _______ die Jacke an.
4.    fürchten: ____________ du ______ vor der Dunkelheit?
5.    fühlen: Er __________ _____ nicht gut.
6.    freuen: Wir __________ _______ auf die Party.
7.    rasieren: Mick ___________ ________ den Bart.
8.   erkälten: Hoffentlich __________ ihr ______ nicht.

Slide 41 - Slide

Lernziel:
Ik kan de persoonlijke voornaamwoorden gebruiken in verschillende naamvallen.
Ik kan wederkerende werkwoorden en voornaamwoorden gebruiken.
😒🙁😐🙂😃

Slide 42 - Poll

Slide 43 - Slide