Breuken en procenten

Breuken en procenten
Je leert welke breuken en procenten bij elkaar horen.
Je leert kleine berekeningen te maken te maken m
et breuken en procenten.
1 / 26
next
Slide 1: Slide
RekenenPraktijkonderwijsLeerjaar 3

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Breuken en procenten
Je leert welke breuken en procenten bij elkaar horen.
Je leert kleine berekeningen te maken te maken m
et breuken en procenten.

Slide 1 - Slide


Breuken en procenten
1/4 
25 %
€ 0,25
1 van de 4
kwart

Slide 2 - Slide

1/4 van 16 =
A
6
B
4
C
2
D
8

Slide 3 - Quiz

25% van 16 =
A
4
B
8
C
6
D
2

Slide 4 - Quiz

Een kwart van 16 is
A
8
B
2
C
6
D
4

Slide 5 - Quiz

Dus...



1/4 = delen door 4
25 % = delen door 4
een kwart = delen door 4

Slide 6 - Slide

Hoe noemen we 1/2 ook wel?

Slide 7 - Mind map

Dus...



1/2 = delen door 2
50% = delen door 2
een half/helft = delen door 2

Slide 8 - Slide

1/2 van 12 =
A
2
B
4
C
6
D
12

Slide 9 - Quiz

50% van 12 =
A
12
B
2
C
4
D
6

Slide 10 - Quiz

de helft van 12 is
A
6
B
12
C
2
D
4

Slide 11 - Quiz

50% van 20 =
A
5
B
10
C
50
D
4

Slide 12 - Quiz

Een kwart van 8 is
A
6
B
8
C
4
D
2

Slide 13 - Quiz

De helft van 100 is
A
50
B
20
C
10
D
100

Slide 14 - Quiz

1/4 van 12 =
A
3
B
4
C
6
D
10

Slide 15 - Quiz

25% van 20 =
A
2
B
3
C
4
D
5

Slide 16 - Quiz

1/2 van 30 =
A
10
B
15
C
12
D
20

Slide 17 - Quiz

Noem een breuk, percentage of uitdrukking die bij het plaatje past:

Slide 18 - Open question

Noem een breuk, percentage of uitdrukking die bij het plaatje past:

Slide 19 - Open question

Wat weten jullie van
Genotmiddelen

Slide 20 - Mind map

Wat weet je over alcohol?

Slide 21 - Mind map

Wat weet je over tabak (roken)?

Slide 22 - Mind map

Wat weet je over drugs?

Slide 23 - Mind map

Wat vind je van deze stelling?
Het is je eigen schuld als je verslaafd raakt.

Slide 24 - Open question

Wat vind je van deze stelling?
Alcohol drinken hoort erbij.

Slide 25 - Open question

Drugs
Drugs zijn stoffen die je hersenen beïnvloeden.

Ze kunnen:
- verdoven                               (downers)
- oppeppen                              (uppers)
- je bewustzijn veranderen      (trippers)

Voorbeelden van drugs:
- Tabak en  Alcohol
- Soft- en harddrugs (hasj, wiet, cocaïne)
- Slaap- en kalmeringsmiddelen
- Cafeïne en XTC

Het kan je ontspannen en laat je dingen (een moment) vergeten.

Drugs beïnvloedt je hersenen:
Het denken, voelen en 
wat je om je heen ziet en hoort.

Slide 26 - Slide