Sprachstadt 4

1 / 29
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 29 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Was machen wir heute:
1. Hausaufgaben besprechen; Ook overhoren "Sprachführer"
  • Een gesprek voor de klas doen. 
  • Een interview met iemand uit Dinslaken:
2. Werkvormen die ik ga gebruiken bij toerisme (voorstel: 1, 4, 7, 10): (Omcirkel elke keer de werkvorm die je al gedaan hebt).Toeristeninformatie - wat heb je al voorbereid
3.. Zeltplatz 1; 2; 3 - schematische samenvatting
4. Sprachstadt -  Dossier besprechen 

Slide 2 - Slide

dann/denn
Dann - wordt gebruikt als het Nederlandse "dan" kan worden vervangen door "op dat moment".Het geeft een tijdstip aan en wordt met nadruk uitgesproken.
Zuerst muss ich meine Hausaufgaben machen, dann komme ich vielleicht noch vorbei. 
Denn - wordt gebruikt als je het Nederlandse "dan" niet kunt vervangen door "op dat moment". Het geeft geen tijdstip aan een wordt zonder nadruk uitgesproken.
Du siehst heute wirklich topfit aus! Was hast du denn gemacht, ich erkenne dich gar nicht wieder. 

Slide 3 - Slide

Ob/Oder
Oder- wordt gebruikt om een keuze tussen twee of meer mogelijkheden aan te geven.
Komme ich morgen zu dir oder kommst du zu mir?  
Ob - Is er geen sprake van keuze dan gebruik ik ob. 
Ich weiß nicht, ob ich morgen vorbeikommen kann.

Slide 4 - Slide

Das: 
bepaald lidwoord + betrekkelijk voornaamwoord

  • verwijst naar (eerder genoemd) zelfstandig naamwoord (heeft betrekking op....):
     Wir nehmen das Angebot, das wir gestern erhalten haben, an.

das Angebot = (bepaald) lidwoord (het aanbod)
........, das wir ......... = betrekkelijk vnw

Slide 5 - Slide

Das: 
aanwijzend voornaamwoord (dat/dit/deze)

  • Das als aanwijzend voornaamwoord:                                                   Das finde ich gut! (dat/dit)

Slide 6 - Slide

dass: voegwoord 
(voegt zinnen aan elkaar)
Ich weiß, dass es gut ist.
Dass es gut ist, freut mich.
Die Entscheidung, dass wir das Angebot annehmen, ist gut.

Let op: Voor dass moet je altijd een komma plaatsen. Maar: niet iedere das na een komma wordt met ss geschreven, zie voorbeelden.

Slide 7 - Slide

dass: 
nog meer praktische voorbeelden

Ich hoffe, dass wir uns bald wiedersehen!
Schön, dass wir uns getroffen haben!
Schön, dass wir uns kennengelernt haben.
Danke, dass Sie mir geholfen haben.

Slide 8 - Slide

Signaalwoorden - opsomming
und- en
zudem - bovendien
außerdem - bovendien
dann - dan, vervolgens
auch - ook 
(zu)erst - ten eerste


Slide 9 - Slide

Signaalwoorden - Tegenstelling
doch - toch, echter
sondern - maar (nicht heute sondern morgen) 
statt - in plaats van
trotzdem - toch, desondanks
aber - maar
obwohl - hoewel 
trotz(dem) - (des) ondanks 
während - terwijl

Slide 10 - Slide

Signaalwoorden - benadrukking
besonders - in het bijzonder, vooral
selbst - zelfs
sogar - selfs
vor allem - in het bijzonder, vooral 

Slide 11 - Slide

Signaalwoorden - Reden / oorzaak
denn - want
weil - omdat
Schließlich - per slot van rekening
nämlich - namelijk
deswegen - daarom

Slide 12 - Slide

Signaalwoorden - bevestiging
klar - vanzelfsprekend, natuurlijk
natürlich - vanzelfsprekend, natuurlijk 
tatsächlich - inderdaad, zeker 
wirklich - inderdaad, zeker 

Slide 13 - Slide

Signaalwoorden - Conclusie
also - dus
deshalb - derhalve, daarom
daher - vandaar
 damit - zodat 

Slide 14 - Slide

Signaalwoorden 
Bevor - voordat 
Nachdem - nadat
Als - toen

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Aber/sondern 
Sondern - bij heldere tegenstelling
Ich kaufe keinen Computer, sondern einen Laptop.
aber - bij overige gevallen
Ich kaufe einen computer, aber Laptop würde mir besser passen.


Slide 20 - Slide

Wann/ Wenn
Wann - als er sprake is van onbekende tijd. Wann kan worden vervangen door " op welk moment" of "hoe laat"
Wann kommst du bei mir vorbei? Heute um fünf Uhr oder morgen um halb fünf? 
Ich weiß noch nicht genau, wann ich vorbeikomme.
Wenn - in de betekenis "als" of " indien" 
Ich komme bei dir vorbei, wenn ich mit der Arbeit fertig bin. 


Slide 21 - Slide

Interviewen
Bedenk eerst in het Nederlands waarover je zoal praat met iemand die je voor het eerst ontmoet. schrijf dan de onderwerpen op in trefwoorden met flink wat ruimte ertussen. 
Schrijf bij elk trefwoord welke vragen je daarover zou kunnen stellen. 
Nu komt het: bedenk bij elke vraag ook wat het antwoord zou kunnen zijn en bedenk bij ieder mogelijk  antwoord een "doorvraag". Een gesprek en een interview zijn namelijk pas echt leuk als je bij een antwoord geïnteresseerd daarop ingaat en een daaropvolgende nieuwe vraag stelt, je gaat bij iemand "doorvragen op wat hi/zij gezegd heeft.
timer
10:00

Slide 22 - Slide

Interviewen Stappen
Stap 1
Je interviewt iemand in de klas en je maakt aantekeningen
Vervolgens interviewt de andere jou. Doe dit niet tegelijk maar na elkaar. Je maakt aantekeningen tijdens je interview. 
Stap 2
Je gaat nu je interview uitwerken in een leuk verhaal. Je kunt kiezen uit twee manieren: 
- de vraag en het antwoord daarop:
- een lopend verhaal waarin  vraag en antwoord verwerkt zijn. 

Slide 23 - Slide

Interviewen
Stap 3
Correctie van de interviews. 
Leer je interview voor de volgende les. 
Maak een gesprek in een restaurant

Slide 24 - Slide

Hausaufgaben besprechen:

Slide 25 - Slide

Gespräch 1
In het cafe gaan jullie aan een tafeltje zitten. De medewerker van Taalstad gaat jullie vragen stellen over jezelf en over je leven; bijv. hoe je heet, hoe oud je bent enzovoorts. Je krijgt niet altijd letterlijk deze vragen, huisdieren staan bijv. niet bij, maar die kunnen ook voorbij komen. We leren ook de woorden en zinnen uit een boekje en of schrijven in het schrift op. 

Slide 26 - Slide

Was wird von dir erwartet? 
Heute arbeiten wir : sich vorstellen Übung 1:
1. Ik kan iemand begroeten. 2. Ik kan vertellen hoe ik heet 3. Ik kan vertellen op welke school ik zit. 4 . Ik kan vertellen in welke klas ik zit. 5. Ik kan mijn vrienden beschrijven; 6. Ik kan vertellen wat ik na school doen. 7. Ik kan vragen wat de ander in vrije tijd doet. 7. Ik kan zeggen wat ik van die activiteit vind. 8. Ik kan vertellen hoe mijn familie in elkaar zit. 9. Ik kan over hun beroep vertellen. 9. Ik kan vragen wat het beroep van de andere is. 10. Ik kan vertellen welke vakken we op school hebben. 11. Ik kan vertellen wat ik van die vakken vind. 12. Ik kan vertellen over mijn huis. 13. Ik kan vertellen wie er wonen. 14. Ik kan vertellen hoe mijn kamer eruit ziet. 15. Ik kan vertellen over de tuin, als we die hebben. 16. Ik kan vragen hoe de ander woont. 

Slide 27 - Slide

Zeltplatz 
Was du nicht geschaft hast ist deine Hausaufgabe
Lerne Wörter und Sätze, die du zu dieser und anderen Aufgaben brauchst

Slide 28 - Slide

Dossier besprechen
Nimm jetzt Dossier 1 vor dich: 
Ik heb in som het boekje met o.a.-
zinnen die je kunnen helpen; 
grammatica etc. in som geüpload. 
Sterke werkwoorden kun je achter
in het woordenboek vinden
Grammatica: Je kunt werkwoorden vervoegen; je weet de naamvallen; 

Sterk werkwoord: uitleg door mij

Slide 29 - Slide