What is LessonUp
Search
Channels
Log in
Register
‹
Return to search
Algemene kennis quiz biologie Havo 5
Algemene kennis quiz biologie Havo 5
1 / 29
next
Slide 1:
Slide
Biologie
Middelbare school
havo
Leerjaar 4,5
This lesson contains
29 slides
, with
interactive quizzes
and
text slide
.
Lesson duration is:
30 min
Start lesson
Save
Share
Print lesson
Items in this lesson
Algemene kennis quiz biologie Havo 5
Slide 1 - Slide
Wat is de functie van ribosomen in een cel?
A
Opslag van genetisch materiaal
B
Transport van stoffen binnen de cel
C
Productie van eiwitten
D
Energieproductie
Slide 2 - Quiz
Welke organellen komen alleen voor in plantaardige cellen?
A
Mitochondriën en ribosomen
B
Celkern en celmembraan
C
Celwand en chloroplasten
D
Golgi-apparaat en lysosomen
Slide 3 - Quiz
Hoe noemen we de transportprocessen waarbij geen energie nodig is?
A
Actief transport
B
Endocytose
C
Passief transport
D
Exocytose
Slide 4 - Quiz
Een mutatie in een lichaamscel van een mens leidt tot:
A
Een erfelijke verandering in het nageslacht
B
Een verandering die alleen invloed heeft op het individu
C
Een direct evolutieproces
D
Een verandering die alleen in de geslachtscellen voorkomt
Slide 5 - Quiz
Wat is een dominant allel?
A
Een allel dat alleen tot uiting komt als het homozygoot is
B
Een allel dat altijd tot uiting komt als het aanwezig is
C
Een allel dat alleen bij mannen voorkomt
D
Een allel dat bij recessieve eigenschappen overruled
Slide 6 - Quiz
Wat is het gevolg van een verandering in de volgorde van basenparen in DNA?
A
De cel sterft onmiddellijk
B
De cel deelt zich niet meer
C
Het individu verandert direct van soort
D
Er ontstaat een mutatie
Slide 7 - Quiz
Welke van de volgende is een voorbeeld van een abiotische factor?
A
Een roofdier
B
Een prooi
C
De temperatuur
D
Een parasiet
Slide 8 - Quiz
In een voedselketen eten konijnen gras en worden ze opgegeten door vossen. Wat is de trofische niveau-indeling van het konijn?
A
Producent
B
Consument van de eerste orde
C
Consument van de tweede orde
D
Reducent
Slide 9 - Quiz
Wat gebeurt er als een ecosysteem uit balans raakt door menselijk handelen?
A
Er vindt sneller evolutie plaats
B
Er ontstaan nieuwe voedselketens
C
De biodiversiteit neemt af
D
Alle soorten passen zich direct aan
Slide 10 - Quiz
Welke eigenschap is essentieel voor natuurlijke selectie?
A
Overerving van verworven kenmerken
B
Variatie binnen een soort
C
Elke mutatie leidt tot een nieuwe soort
D
Alle individuen binnen een soort zijn gelijk
Slide 11 - Quiz
Wat is een voorbeeld van genetische drift?
A
Een populatie vogels verandert geleidelijk door selectiedruk
B
De allelfrequentie van een groep veranderd door een toevallige ramp
C
Een soort past zich langzaam aan het klimaat aan
D
Een roofdier jaagt een prooidier bijna uit
Slide 12 - Quiz
Waarom worden bacteriën snel resistent tegen antibiotica?
A
Ze passen hun DNA doelgericht aan
B
Ze muteren snel en ondergaan natuurlijke selectie
C
Ze vermijden antibiotica in het milieu
D
Ze doden andere bacteriën om resistentie te krijgen
Slide 13 - Quiz
Wat is het belangrijkste voordeel van geslachtelijke voortplanting?
A
Het kost minder energie dan ongeslachtelijke voortplanting
B
Er ontstaat meer genetische variatie
C
Het leidt tot grotere populaties
D
De nakomelingen zijn altijd sterker
Slide 14 - Quiz
Wat is impenting in dierlijk gedrag?
A
Een aangeleerde gewoonte die weer verdwijnt
B
Een instinctieve reactie op een prikkel
C
Een leerproces dat in een korte periode plaatsvindt en onomkeerbaar is
D
Een vorm van aangeboren gedrag
Slide 15 - Quiz
Wat gebeurt er bij baltsgedrag?
A
Dieren zoeken voedsel samen
B
Dieren vertonen gedrag om een partner aan te trekken
C
Dieren verdedigen hun territorium
D
Dieren leren over hun omgeving
Slide 16 - Quiz
Waar vindt gaswisseling plaats in de longen?
A
In de luchtpijp
B
In de bronchiën
C
In de longblaasjes
D
In de bloedvaten
Slide 17 - Quiz
Wat is de functie van rode bloedcellen?
A
Zuurstof transporteren
B
Ziekteverwekkers bestrijden
C
Bloedstolling reguleren
D
Voedingsstoffen opnemen
Slide 18 - Quiz
Wat gebeurt er als een bloedvat verstopt raakt?
A
De bloeddruk stijgt overal in het lichaam
B
Het getroffen gebied krijgt minder zuurstof
C
Het hart stopt direct met kloppen
D
De bloedsomloop wordt sneller
Slide 19 - Quiz
Welk hormoon regelt de bloedsuikerspiegel?
A
Adrenaline
B
Insuline
C
Oestrogeen
D
Testosteron
Slide 20 - Quiz
Wat is homeostase?
A
Het vermogen van een organisme om zich aan te passen aan de omgeving
B
De regulering van een constant inwendig milieu
C
De snelheid van evolutie binnen een populatie
D
De manier waarop dieren met elkaar communiceren
Slide 21 - Quiz
Waar wordt insuline geproduceerd?
A
In de lever
B
In de hersenen
C
In de nieren
D
In de alvleesklier
Slide 22 - Quiz
Welke zintuigen spelen een rol bij evenwicht?
A
Gehoor en reuk
B
Tast en temperatuur
C
Spieren en gewrichten
D
Ogen en evenwichtsorgaan
Slide 23 - Quiz
Wat gebeurt er bij een reflex?
A
De hersenen geven eerst een onbewuste opdracht
B
Er is altijd sprake van een snelle reactie van animale zenuwstelsel
C
Een prikkel veroorzaakt een snelle onbewuste reactie
D
Acties die worden ondernomen door het autonome zenuwstelsel
Slide 24 - Quiz
Welke stof is belangrijk voor signaaloverdracht tussen zenuwcellen?
A
Hemoglobine
B
Glucose
C
Melatonine
D
Neurotransmitters
Slide 25 - Quiz
Wat is de functie van de kleine hersenen?
A
Regelen van reflexen
B
Coördineren van ademhaling / hartslag
C
Verwerken van bewuste informatie en cognitieve processen
D
Coördineren van bewegingen
Slide 26 - Quiz
Wat is de functie van fagocyten in het immuunsysteem?
A
Ze maken antistoffen aan tegen ziekteverwekkers
B
Ze vernietigen lichaamsvreemde stoffen door ze op te eten
C
Ze transporteren zuurstof door het lichaam
D
Ze zorgen voor de productie van rode bloedcellen
Slide 27 - Quiz
Wat is het belangrijkste verschil tussen een specifieke en een niet-specifieke afweerreactie?
A
De niet-specifieke afweer werkt alleen tegen bacteriën, de specifieke afweer tegen virussen
B
De specifieke afweer reageert snel, terwijl de niet-specifieke afweer traag is
C
De specifieke afweer richt zich op één type ziekteverwekker, terwijl de niet-specifieke afweer algemeen is
D
De niet-specifieke afweer wordt alleen actief na vaccinatie
Slide 28 - Quiz
Wat is de functie van T-helpercellen in het immuunsysteem?
A
Ze produceren antilichamen tegen ziekteverwekkers
B
Ze activeren andere immuuncellen en coördineren de afweerreactie
C
Ze breken oude rode bloedcellen af
D
Ze slaan informatie op over eerder doorgemaakte infecties
Slide 29 - Quiz
More lessons like this
12.3 Specifieke afweer ll
November 2023
- Lesson with
50 slides
Biologie
Middelbare school
havo
Leerjaar 5
12.3-1 Specifieke afweer deel 1
June 2022
- Lesson with
28 slides
Biologie
Middelbare school
havo
Leerjaar 5
12.3 Specifieke afweer
May 2023
- Lesson with
38 slides
Biologie
Middelbare school
havo
Leerjaar 5
12.4 Specifieke afweer
March 2021
- Lesson with
18 slides
Biologie
Middelbare school
vwo
Leerjaar 5
12.4 Specifieke afweer 5 VWO
October 2020
- Lesson with
21 slides
Biologie
Middelbare school
vwo
Leerjaar 5
AN - afweer
26 days ago
- Lesson with
24 slides
Verpleging en verzorging
MBO
Studiejaar 1
AN - afweer
February 2024
- Lesson with
25 slides
Verpleging en verzorging
MBO
Studiejaar 1
16.3 Specifieke afweer en antistoffen ll
March 2024
- Lesson with
39 slides
Biologie
Middelbare school
vwo
Leerjaar 6