This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.
Items in this lesson
Massamedia
Hoofdstuk 1 t/m 4 (b)
Hoofdstuk 1 t/m 3 (k)
Herhalen
Slide 1 - Slide
Slide 2 - Slide
Je klasgenoot vraagt aan jou van wie jullie les hebben bij Maatschappijleer. 'Van meneer Pors', antwoord je. Wat is meneer Pors in dit geval?
A
Zender
B
Boodschap
C
Middel
D
Ontvanger
Slide 3 - Quiz
Je stuurt een mail via je pc naar de school omdat je het niet eens bent met de lestijden van de school. Wat is het middel in dit geval?
A
Jijzelf
B
De lestijden
C
De pc
D
De school
Slide 4 - Quiz
Een leraar geeft zijn leerlingen de instructie via de mail dat zijn lessen uitvallen. 1 leerling antwoord terug met 'bedankt'. Wat is de leraar in dit geval?
A
Zender
B
Boodschap
C
Middel
D
Ontvanger
Slide 5 - Quiz
Hieronder staan vier omschrijvingen van het begrip communicatie. Welke is de juiste?
A
Communicatie is altijd gesproken of geschreven.
B
Communicatie is een middel om informatie te versturen.
C
Communicatie is het doorgeven van informatie.
D
Communicatie is het reageren op de boodschap van de zender.
Slide 6 - Quiz
Blozen is een voorbeeld van
A
Meerzijdige communicatie
B
Indirecte communicatie
C
Verbale communicatie
D
Non-verbale communicatie
Slide 7 - Quiz
Met je vriendin uit een andere klas stiekem appen tijdens de les.
A
directe, verbale en meerzijdige communicatie
B
indirecte, verbale, eenzijdige communicatie
C
indirecte, verbale, meerzijdige communicatie
D
directe, non-verbale, meerzijdige communicatie
Slide 8 - Quiz
Van welke soort communicatie is er sprake als je een e-mail stuurt?
A
directe en verbale communicatie
B
directe en non-verbale communicatie
C
indirecte en verbale communicatie
D
indirecte en non-verbale communicatie
Slide 9 - Quiz
Eenzijdige communicatie
Meerzijdige communicatie
Boek
Netflix
Ex on the beach
Youtube
Gesprek
Snapchat
Whatsapp
Slide 10 - Drag question
Welke twee voorbeelden horen bij het begrip non-verbale communicatie?
A
Gebarentaal en symbolen.
B
Twitteren en verkeersborden.
C
Foto’s en krantenadvertenties.
D
Vloeken en schilderijen.
Slide 11 - Quiz
Wat is een voorbeeld van tweezijdige communicatie?
A
Een e-mail.
B
Een telefoongesprek.
C
Een boek.
D
Een toespraak door de koning.
Slide 12 - Quiz
Wat zijn massamedia?
'Media die zich met hun communicatieboodschap tot grote groepen mensen tegelijk richten'
Slide 13 - Slide
Informatiesamenleving
Via digitale media krijg je non-stop informatie
Slide 14 - Slide
Algoritmes
Ingewikkeld wiskundige berekeningen
Aanbieden wat jij 'interessant vindt'
Filterbubbel & selectieve waarneming
Je kiest zelf wat je wilt zien / horen. Algoritme?
Privacy?
Slide 15 - Slide
Slide 16 - Slide
Schema
Slide 17 - Slide
Welke uitspraak over publieke omroepen is juist?
A
hebben als doel geld te verdienen
B
krijgen al hun geld uit reclame-inkomsten
C
ontvangen geld van de overheid
D
zenden geen reclame uit
Slide 18 - Quiz
Krijgen geld van de overheid en moeten programma's maken voor alle doelgroepen
A
commerciele zenders
B
publieke omroepen
Slide 19 - Quiz
Je vindt ……………. vaak in een kwaliteitskrant, maar minder vaak in een populaire krant.
Welk nieuws is hier weggelaten?
A
sportnieuws.
B
nieuws over criminaliteit.
C
politiek nieuws.
D
amusementsnieuws.
Slide 20 - Quiz
Functies voor het individu
(Basis en Kader)
Informatie
Onderwijs
Meningsvorming
Amusement
Reclame
Cultuuroverdracht
Slide 21 - Slide
Voorbeeld van media met een meningsvormende functie is:
A
Talkshow
B
Reclameblok
C
Journaal
D
Soapserie
Slide 22 - Quiz
Massamedia hebben verschillende functies. Via journaals en nieuwssites krijg je ... over politiek of rampen.