Kopen en Werken (3e) Periode 3 Samenvatting

Risico-aversie
Keuze:
  • A: je krijgt € 100
  • B: je krijgt € 200 met een kans van 50%

Waar kies je voor?
  • risiconeutraal persoon: verwachte opbrengst is bij beide € 100
  • risicoavers persoon: A geeft meer zekerheid
  • over het algemeen zijn de meeste mensen risicoavers
  • maar onvrijwillige risico’s zijn niet te vermijden, oplossing: verzekeren


1 / 25
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 25 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Risico-aversie
Keuze:
  • A: je krijgt € 100
  • B: je krijgt € 200 met een kans van 50%

Waar kies je voor?
  • risiconeutraal persoon: verwachte opbrengst is bij beide € 100
  • risicoavers persoon: A geeft meer zekerheid
  • over het algemeen zijn de meeste mensen risicoavers
  • maar onvrijwillige risico’s zijn niet te vermijden, oplossing: verzekeren


Slide 1 - Slide

Hoogte verzekeringspremie
Voor een verzekering betaal je premie. De hoogte is afhankelijk van 2 factoren:
 1 . bedrag wat is verzekerd (hoger bedrag = hogere premie)
 2. risico dat de verzekeringsmaatschappij loopt (hoger risico = hogere premie)

Formule verzekeringspremie = kans op schade in % x uitkeringsbedrag

Voorbeeld
Stijn heeft een auto ter waarde van € 3.000. De kans dat hij de auto total loss rijdt is 1 op 80. Bereken de verzekeringspremie.
  • verzekeringspremie = kans op schade in % x uitkeringsbedrag bij schade
  • verzekeringspremie = 1/80 * € 3.000 = € 37,50





Slide 2 - Slide

Verzekeringen
  • Collectief
       - verplicht
       - risico van inkomensverlies bij ziekte, werkloosheid,
          arbeidsongeschiktheid en ouderdom
 
  • Particulier 
       - vrijwillig (uitgezonderd WA- en basisverzekering ziektekosten)
       - risico van verschillende individuele risico's

Slide 3 - Slide

Collectieve verzekeringen

Slide 4 - Slide

Particuliere verzekeringen

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Averechtse selectie
Als ik denk dat ik weinig zorgkosten ga maken, dan zal ik mij …. verzekeren.
  • NIET, je verwacht: premie > schade
  • je bent een goed risico voor de verzekeringsmaatschappij

Als ik denk dat ik veel zorgkosten ga maken,  dan zal ik mij …. verzekeren.
  • WEL, je verwacht: premie < schade
  • je bent een slecht risico voor de verzekeringsmaatschappij

Slide 7 - Slide

Averechtse selectie
Hoe kan een verzekeraar averechtse selectie tegengaan?
  1. verplicht verzekeren: basiszorgverzekering (goede risico’s verplicht om te verzekeren vanuit solidariteit)
  2. uitsluiten slechte risico’s: bijvoorbeeld zeggen dat rokers zich niet mogen verzekeren
  3. premiedifferentiatie: verschillende prijzen voor verschillende groepen, goede risico’s minder laten betalen zodat ze zich toch gaan verzekeren
  4. vrijwillig eigen risico, korting geven als je een hoog eigen risico accepteert

Slide 8 - Slide

Moral hazard
“Ik ben toch verzekerd, waarom zou ik de deur nog op slot doen?”, gevolg asymmetrische informatie: moral hazard.

Hoe kun je zorgen dat mensen zich niet roekeloos gaan gedragen?
  1. eigen risico
  2. bonus-malus ladder (bij autoverzekering)

Slide 9 - Slide

Asymmetrische informatie
Wat is het gevolg voor de premie van verzekeringen?
  • premie stijgt vanwege fraude
  • opsporen fraude kost veel geld
Asymmetrische informatie is ook aanwezig bij verzekeren:
  • de verzekerde heeft meer informatie dan de verzekeraar

Slide 10 - Slide

Wat speelt er bij verzekeren?
  1. risico-aversie: mensen willen zoveel mogelijk risico's vermijden
  2. solidariteit: saamhorigheid of gemeenschapszin, je bent solidair als je het belang van de groep boven het (financieel) eigenbelang stelt.
  3. asymmetrische informatie: verschil tussen informatie van verzekerde en verzekeraar
  4. averechtse selectie: alleen slechte risico's die zich gaan verzekeren
  5. moral hazard: opzettelijk onvoorzichtig gedrag van verzekerde
  6. premiedifferentiatie: verschillende prijzen voor verschillende groepen
  7. eigen risico: bij schade een deel zelf betalen, vermindert moral hazard

Slide 11 - Slide

Sparen en lenen
Ruilen over tijd:
  • Sparen = uitstellen van Consumptie naar de toekomst
  • Lenen = vervroegen van consumptie

Geld lenen kost geld :
Rente betalen!,
en de schuld moet je ook weer aflossen.

Rente op je spaarrekening = beloning voor het uitstellen van consumptie.

Slide 12 - Slide

Sparen en lenen
1. Waarom ruil je over tijd als je spaart of leent?
  • je stelt consumptie uit bij sparen
  • of je vervroegt consumptie bij lenen
2. Wat is de prijs van sparen?, en wat levert het op?
  • prijs: uitstellen consumptie en inflatie
  • sparen levert rente op
3. Wat is de prijs van lenen?, en wat levert het op?
  • prijs: rente betalen
  • lenen levert vervroegde consumptie op

Slide 13 - Slide

Spaarvormen
In de praktijk bestaan er 2 spaarvormen:
  • gewone spaarrekening
        - geld is vrij opneembaar (geen vaste looptijd)
        - variabele rente (samengestelde rente)
  • depositorekening
        - vaste looptijd (boeterente / opnamekosten bij toch geld opnemen)
        - vaste rente (enkelvoudige rente jaarlijks uitgekeerd)

Wat is op dit moment het verschil in rente tussen beiden bij Ayvens Bank?

Slide 14 - Slide

Inflatie en koopkracht
  • Inflatie is de stijging van het algemeen prijspeil
  • een huishouden kan met hetzelfde inkomen minder kopen wanneer de prijzen van producten stijgen
  • dit noemen we koopkracht: hoeveel kan ik kopen met mijn inkomen?

Slide 15 - Slide

Rente berekenen
Rente (of interest of intrest), is de vergoeding die wordt ontvangen voor het uitlenen van geld en die betaald wordt door degene die het geld leent.

Formule rente = rentepercentage / 100 x bedrag

Stel je bent een student die € 1.000 wil lenen voor de studie. De rente die je moet betalen aan de bank is 4,5% per jaar. Hoeveel euro rente moet je per jaar betalen?
  • rente = rentepercentage / 100 x bedrag
  • rente = 4,5 / 100 x € 1.000 = € 45
  • of rente = 0,045 x € 1.000 = € 45
  • of rente = € 1.000 / 100 x 4,5 = € 45


Slide 16 - Slide

Hoe verdient de bank geld?
 Op 1 januari wil Andrea € 1.200 lenen. De rente die zij moet betalen aan de bank is 4,5% per jaar.
 Op 1 januari stort Henk € 1.200 op zijn spaarrekening. De rente die hij ontvangt is 2% per jaar.

Vraag: hoeveel euro winst maakt de bank per jaar met deze 2 transacties?
  • Andrea betaalt aan de bank 4,5 / 100 x € 1.200 = € 54 (of € 1.200 / 100 x 4,5)
  • Henk ontvangt van de bank 2 / 100 x € 1.200 = € 24 (of € 1.200 / 100 x 2)
  • de bank verdient € 54 - € 24 = € 30


Slide 17 - Slide

Waarom zou je sparen?
Sparen = ruilen over tijd = uitstel van Consumptie naar de toekomst

Vraag: wie van jullie spaart en waarom?

Redenen (3) om te sparen?
  1. doelmotief: voor een vakantie
  2. zekerheidsmotief: geld hebben voor een onverwachtse gebeurtenis
  3. vermogensmotief: om met behulp van rente het bedrag te laten groeien

Slide 18 - Slide

Sparen = uitstel van consumptie

Slide 19 - Slide

Samengestelde interest
Stel je krijgt als baby, toen je net geboren was, van je grootouders € 1.000 op jouw spaarrekening. Om nieuwe klanten te trekken is de spaarrente op de kinderrekening 3%.

Hoe groot is het bedrag op je spaarrekening na 1 jaar?
  • rente = rentepercentage / 100 x bedrag
  • rente = 3 / 100 x € 1.000 = € 30
  • bedrag na 1 jaar = € 1.000 + € 30 = € 1.030

Hoe groot is het bedrag op je spaarrekening na 2 jaar?
  • rente = 3 / 100 x € 1.030 = € 30,90 (rente over rente)
  • bedrag na 2 jaar = € 1.030 + € 30,90 = € 1.060,90


Slide 20 - Slide

Samengestelde interest
Stel je krijgt als baby, toen je net geboren was, van je grootouders € 1.000 op jouw spaarrekening. Om nieuwe klanten te trekken is de spaarrente op de kinderrekening 3%.

Hoe groot is het bedrag op je spaarrekening na 3 jaar?
  • bedrag na 3 jaar = € 1.000 x 1,033= € 1.092,73

Hoe groot is het bedrag op je spaarrekening na 18 jaar?
  • bedrag na 18 jaar = € 1.000 x 1,0318 = € 1.702,43

Formule eindewaarde = Beginwaarde x (1 + i)n    i = rentepercentage / 100 en n = aantal periodes


Slide 21 - Slide

Waarom zou je lenen?
Lenen = ruilen over tijd = je haalt de Consumptie van later naar voren

Redenen (3) om te lenen?
  1. aanschaf van (duurdere) consumptiegoederen en je hebt het geld niet
  2. tegenslag opvangen: er gebeurt iets onverwachts en je hebt  geen geld
  3. tekort op vangen

Slide 22 - Slide

Soorten leningen
  • een hypotheeklening is een lening met een onroerend goed als onderpand, vaak een huis, bij een hypotheek kan de bank het huis (onderpand) innemen als je de lening niet terugbetaald, dat is dus meer zekerheid voor de bank en daarom een lagere rente

  • een persoonlijke lening is een lening zonder onderpand , dus meer
       risico voor de bank en daarom een hogere rente

Opdracht:
Zoek het verschil in rente op tussen een hypotheeklening en een
persoonlijke lening.

Slide 23 - Slide

Rente en aflossing
Als je geld leent, moet je rente (vergoeding lenen) en aflossing (terugbetalen schuld) betalen.

Stel je wilt € 6.000 lenen voor je eerste autostudie. Om dit te betalen ga je een lening aan bij de bank tegen 6% rente. De lening loopt 2 jaar en wordt jaarlijks in gelijke delen terugbetaald. Aan het einde van ieder jaar betaal je rente en aflossing.
  • rente na het 1e jaar = 6 / 100 x € 6.000 = € 360
  • aflossing na het 1e jaar € 3.000
  • rente na het 2e jaar = 6 / 100 x € 3.000 = € 180
  • aflossing na het 2e jaar € 3.000
  • voor een lening van € 6.000 betaal je dus € 6.540 aan aflossing en rente

Slide 24 - Slide

Formules
  • Verzekeringspremie = kans op schade (%) x Uitkeringsbedrag
  • Rente = (Rentepercentage / 100) x Bedrag
  • Eindewaarde (samengestelde intrest) = Beginwaarde x (1 + i)n 
       waarbij  i = rente% per periode / 100 en n = aantal periodes

Slide 25 - Slide