Examentraining 5 HAVO

Wat gaan we doen?
1ste uur: Iedereen!
  • 1ste uur: Basis examentraining (welke onderwerpen?) 
  • Hoe pak je examenvragen aan?
  • Oefenquiz BINAS
  • Oefenen examenopdrachten (eigen keuze)


2e uur:
HAVO:
  • Begin oefenexamen maken

VWO:
  • Labjournaal afmaken 



1 / 52
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 5,6

This lesson contains 52 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Wat gaan we doen?
1ste uur: Iedereen!
  • 1ste uur: Basis examentraining (welke onderwerpen?) 
  • Hoe pak je examenvragen aan?
  • Oefenquiz BINAS
  • Oefenen examenopdrachten (eigen keuze)


2e uur:
HAVO:
  • Begin oefenexamen maken

VWO:
  • Labjournaal afmaken 



Slide 1 - Slide

Het Centraal Examen
CE Biologie B

Slide 2 - Slide

Wat neem je mee naar het biologie examen?
  • BINAS: De Binas dient compleet onbeschreven en onbeplakt te zijn. Ook het gebruik van briefjes als paginawijzers is niet toegestaan.
  • Het gebruik van een niet-grafische rekenmachine is toegestaan.
  • Verder meenemen naar je examen: (reserve-)pen, tekenpotlood, gum,
       geodriehoek en arceerstiften.
  • NL woordenboek
  • Tijdens je examen mag je NIKS lenen van anderen. 

Slide 3 - Slide

Examenvragen beantwoorden: 
GO BIO!
Goed oriënteren: Lees de opdracht goed door, onderstreep belangrijke info en bekijk hoeveel punten je kan behalen.
Opzoeken in BINAS: Bedenk of je informatie uit de BINAS nodig hebt en pak de juiste tabel erbij. 
Bekijk de bronnen: Zit er een bron bij de opdracht? Dan moet je die gebruiken bij het beantwoorden van de vraag. Bekijk alle info en verwijs duidelijk naar de bron in antwoord.
Ieder antwoord structureren: Gebruik alle gevonden informatie en je eigen kennis om je antwoord gestructureerd op te schrijven. Leg bijvoorbeeld een verklaring uit aan de hand van oorzaak --> gevolg. 
Overal nakijken: Lees de vraag nomaals en controleer! Is je antwoord juist en realistisch? De hele vraag beantwoord? Genoeg info voor aantal punten?

Slide 4 - Slide

Wat is  examenstof?

Slide 5 - Slide

Onderwerpen vertaalt
  1. Cellen, organen en orgaanstelsel
  2. DNA
  3.  Genexpressie en RNA
  4. Evolutie, soortvorming en selectie
  5. Fotosynthese, dissimilatie en voortgezette assimilatie
  6. Ecosystemen
  7. Voeding en vertering
  8. Bloedsomloop
  9. Gaswisseling
  10. Lever en nieren: uitscheiding
  11. Zenuwstelsel en spieren
  12. Hormonale regulatie
  13. Huid en immuniteit

Slide 6 - Slide

Welk type vragen kom je tegen?
  • Open vragen: aantal punten meestal gelijk aan aantal
      denkstappen
  • Meerkeuze vragen

In de examens kunnen meerkeuzevragen voorkomen voor 1 punt en voor 2 punten, dit is nieuw. Het aantal punten dat aan een  meerkeuze-vraag wordt toegekend, hangt in principe samen met het aantal denkstappen dat je moet maken om tot het antwoord te komen.
LET OP!

Slide 7 - Slide

Stappenplan Meerkeuzevragen

Slide 8 - Slide

Er zijn verschillende soorten open vragen
Hoe te herkennen?
Feitenkennis
Noem..
Met welke term…
Wat is…
Geef een omschrijving van …
Verklaring / toelichting
Geef een verklaring voor…
Inzicht
Leg uit….
Bereken…
Mening
Beargumenteer…
Vaardigheden
Formuleer een hypothese
Maak een werkplan
Beschrijf een werkwijze…
Trek een conclusie

Slide 9 - Slide

  Snoekkroketten
Leg met behulp van de gegevens uit de tabel uit wat de voornaamste oorzaak is van de constatering dat snoekkroketten inderdaad lichter verteerbaar zijn dan kippen-, rund- en varkensvleeskroketten.

Slide 10 - Slide

1. Wat is de vraagstructuur?
Instructiewerkwoord + onderwerp + evt. verplicht gegevensgebruik of noteringsvoorwaarde


Uitleggen + oorzaak dat snoekkroketten lichter verteerbaar zijn dan kippen-, rund- en varkenskroketten + mbv gegevens uit de tabel


Slide 11 - Slide

2. Wat is de antwoordstructuur?
Instructiewerkwoord als zelfstandig naamwoord + onderwerp + evt. verplicht gegevensgebruik of noteringsvoorwaarde


Uitleg + oorzaak dat snoekkroketten lichter verteerbaar zijn dan kippen-, rund- en varkenskroketten + m.b.v. gegevens uit de tabel


Slide 12 - Slide

3. Naar welk verband wordt gevraagd?

Moet je een oorzaak/ gevolg uitleggen? Moet je een conclusie trekken uit de gegevens? Om dit te achterhalen kun je gebruik maken van de signaalwoorden uit de vraag.

Slide 13 - Slide

3. Naar welk verband wordt gevraagd?

Slide 14 - Slide

4. Over welk hoofdonderwerp in de Biologie gaat deze vraag?
Bedenk bij welk hoofdonderwerp deze vraag hoort. Dit kan je op het juiste spoor zetten voor te gebruiken BINAS tabellen of begrippen in het antwoord -> voeding en vertering

Slide 15 - Slide

5. Welke gegevens uit de vraag kan ik gebruiken?

Lees de informatie uit de context gericht door om relevante gegevens te vinden die je nodig hebt voor het antwoord.
Arceer eventueel.

Slide 16 - Slide

6. Welke gegevens/ kennis moet ik zelf toevoegen?
Bedenk welke kennis je nog moet toevoegen om het antwoord compleet te maken. Bedenk ook welke biologische begrippen waarschijnlijk in het antwoord moeten voorkomen: 
bv enzymen, koolhydraten, eiwitten, vetten, organen


Slide 17 - Slide

7. Formuleer nu je antwoord
Herhaal de vraag + neem het signaalwoord dat past bij het verband in de vraag + voeg het hulpmiddel toe.


Snoekkroketten zijn lichter verteerbaar dan kippen-, rund- en varkensvleeskroketten omdat in de tabel staat dat ...

Slide 18 - Slide

8. Maak het antwoord compleet
Voeg informatie uit de context en eigen informatie (kennis/ BINAS) toe om het antwoord compleet te maken.


Slide 19 - Slide

9. Controle
Lees de vraag nog een keer goed door en kijk nog een keer kritisch naar je antwoord. 
  • Beantwoord je de vraag eigenlijk wel? 
  • Heb je alles wat je weet in je antwoord genoteerd? (docent = dom)
  • MC-vraag: hoofdletter van juiste antwoord?
  • Berekening: is de uitkomst realistisch + heb ik de eenheid genoteerd + evt. juist afgerond?



Slide 20 - Slide

Compleet antwoord


Snoekkroketten zijn lichter verteerbaar dan kippen-, rund- en varkensvleeskroketten omdat in de tabel staat dat snoekkroketten per 100gr maar 1gr vet bevat (terwijl kip, rund, -en varkenskroketten 12-15x meer vet bevat) en vet langzamer verteert dan eiwitten en koolhydraten.

Slide 21 - Slide

Stappenplan Open vragen

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

Veel gemaakte fouten:
- Geen antwoord geven op de vraag 
- Onvolledige antwoorden (gebruik hele zinnen!)
- Alleen vraag herhalen (geen uitleg/nieuwe informatie)
- Te snel naar antwoord willen (werk denkstappen uit!)
- Meer redenen of voorbeelden geven dan gevraagd
- Alleen standpunt of mening geven zonder onderbouwing.

Slide 24 - Slide

Grafieken tekenen
Je doet een onderzoek naar de invloed van verschillende zoutconcentraties in het milieu op de hartslagfrequentie van een watervlo. Je moet een grafiek tekenen. Hoe ziet deze eruit? 

Wat zet je op de X-as?
En wat op de Y-as?


Slide 25 - Slide

Grafieken tekenen
Op de X-as komt dan de zoutconcentratie (je stopt namelijk de watervlo in vooraf bepaalde zoutconcentraties), op de Y-as komt de hartslagfrequentie (deze wil je onderzoeken/ meten).
Samengevat:
X-as: wat je weet (onafhankelijke variabele)
Y-as: wat je meet (afhankelijke variabele)

LET OP: zorg dat je de assen ook benoemt, inclusief grootheid (zoals tijd) en eenheid (zoals minuten). Zorg ook voor een mooie schaalverdeling. Teken de meetpunten én de grafieklijn, meestal een vloeiende lijn waar je geen liniaal voor gebruikt! Laat de lijn alleen door het 0,0 punt (de oorsprong) gaan als dat logisch is en uit de gegevens blijkt! 

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

Voorbeeldvraag  (2p)
Riccardo had koorts. Bij koorts is het temperatuurcentrum in de hersenen ingesteld op een hogere temperatuur dan 370C. De verpleegkundige constateerde dat Riccardo rilde, een bleke kleur had en dat zijn lichaamstemperatuur nog steeds opliep.
Leg uit hoe door rillen de lichaamstemperatuur stijgt.

Slide 28 - Slide

Voorbeeldvraag (strategie)
2p = 2 punten = in 2 stappen antwoord geven
Riccardo had koorts. Bij koorts is het temperatuurcentrum in de hersenen ingesteld op een hogere temperatuur dan 370C. De verpleegkundige constateerde dat Riccardo rilde, een bleke kleur had en dat zijn lichaamstemperatuur nog steeds opliep.
Leg uit hoe door rillen de lichaamstemperatuur stijgt.

Oorzaak-gevolg: oorzaak = rillen, gevolg = lichaamstemperatuur stijgt
Verband leggen: wat heeft rillen met temperatuurstijging te maken?

Slide 29 - Slide

Open vragen:
- Verbanden leggen (waarom werkt 't zo?  
- Uitleggen van begrippen (wat wordt bedoeld met?)
- Kunnen gestructureerd zijn (deelvragen) of ongestructureerd
- Geven van (andere) voorbeelden
- Toegepaste kennis via contexten (antwoord soms gegeven)
- Standpunten beargumenteren

Slide 30 - Slide

Verwacht antwoord 
maximumscore 2
Uit het antwoord moet blijken dat:
• het rillen wordt veroorzaakt door spiersamentrekkingen         1p
• waarbij warmte vrijkomt (ten gevolge van dissimilatie)             1p

Slide 31 - Slide

oefenen met de Binas
- Het gaat om het snel kunnen zoeken van informatie in de Binas
- Maak gebruik van het register als je de tabel niet weet
- Noteer het tabelnummer en de letter met een hoofdletter

Slide 32 - Slide

-Hoe groot is een gemiddelde schimmelcel?
-Welke tabel?

Slide 33 - Open question

- Welk enzym uit speeksel verteert koolhydraten?
- Welke tabel?

Slide 34 - Open question

- Uit welke vier fasen bestaat de eukaryotische celcyclus?
- Welke tabel?

Slide 35 - Open question

- Uit hoeveel C-atomen is D-glucose opgebouwd?
- tabel 67F

Slide 36 - Open question

- Door welke mRNA codons wordt het aminozuur glutamine gecodeerd?
- Welke tabel?

Slide 37 - Open question

- Waar komt het antistof IgE voor?
- Welke tabel?

Slide 38 - Open question

- Uit welke twee onderdelen bestaat het centraal zenuwstelsel?
-Welke tabel?

Slide 39 - Open question

- Welke drie aromatische aminozuren komen voor in eiwitten?
- Welke tabel?

Slide 40 - Open question

- Welke enzymen zorgen voor de vorming van polypeptideketens? - Welke tabel?

Slide 41 - Open question

- Uit welke 'lagen' bestaat de huid (van 'buiten' naar 'binnen)?
- Welke tabel?

Slide 42 - Open question

- Hoeveel procent van de zonne-energie wordt door producenten gebruikt in de fotosynthese?
- Welke tabel?

Slide 43 - Open question

- Hoe groot is een nucleosoom in een chromosoom?
- Welke tabel?

Slide 44 - Open question

- Welke hormonen worden door de nieren van de mens geproduceerd?
- Welke tabel?

Slide 45 - Open question

- Hoeveel waterstofcarbonaat bevat bloedplasma (in procenten)?
- Welke tabel?

Slide 46 - Open question

- Hoeveel waterstofbruggen zijn er in het basenkoppel G (guanine) en C (cytosine) in DNA?
- Welke tabel?

Slide 47 - Open question

- Hoe lang duurt de kamersystole/boezemdiastole bij een hartslagfrequentie van 75 slagen per minuut?

Slide 48 - Open question

- Wat heb je nodig voor een hard bloedstolsel?
- Welke tabel?

Slide 49 - Open question

- Hoe hoog is de netto druk die zorgt voor de vorming van weefselvloeistof?
- Welke tabel?

Slide 50 - Open question

- Hoeveel liter is de totale longcapaciteit?
- Welke tabel?

Slide 51 - Open question

Handige websites
https://www.lerenvoorhetexamen.nl/havo/biologie/
https://examenkompas.citolab.nl/
https://www.onlineslagen.nl/




Slide 52 - Slide