Lesson 5

Leave everything in your bag!
1 / 44
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

This lesson contains 44 slides, with text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

Leave everything in your bag!

Slide 1 - Slide

  • Het toilet gebruik je voor of na de les
  • Borstels, make-up en luchtjes blijven in de tas
  • Tijdens de les ben je alleen bezig met Engels
  • Je blijft van de spullen van een ander af
  • Laat anderen met rust
  • Hou het lokaal netjes
  • Laat alles in je tas todat de docent het zegt
Classroom Rules

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

  • Taking the register
  • Planning
  • Learning goals
  • What do you need?
  • Grammar recap

  • Let's get to work
  • Extra exercise
  • Homework

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

  • Informatievaardigheden: Je kunt voor het beantwoorden van een vraag of probleem benodigde informatie verwerven en daaruit een selectie maken.

  • B1.5: Je kunt de hoofdpunten vatten van televisieprogramma's over vertrouwde onderwerpen wanneer deze betrekkelijk langzaam en helder worden gepresenteerd (kijken).

  • Grammar: Je weet wanneer je  +er/+est of more/most gebruikt bij vergelijkingen met woorden met twee lettergrepen

Slide 6 - Slide

        iPad
   Workbook 
          B
   Notebook
 Pen + pencil
   Earphones

Slide 7 - Slide

passive

Slide 8 - Slide


  • Je gebruikt de 'passive' om aan te geven WAT er gebeurt
  • Het gaat er NIET om wie het doet
 
  • to be + voltooid deelwoord

  •                        w.w.+ed
  •                         3e rijtje
passive
lijdende vorm


  • Active: Mister Sebel plays badminton.


  • Passive: Badminton is played by Mister Sebel.

Slide 9 - Slide

can vs. be able to

Slide 10 - Slide


  • Om aan te geven dat je iets kunt 
  • Om aan te geven dat je ergens toe in staat bent te doen

  • can + hele werkwoord
  • to be + able to + hele werkwoord
can vs. be able to
kunnen
in staat zijn


  • vaardigheden of mogelijkheden
  • alleen gebruikt in de tegenwoordige tijd
  • I can ride a bike.
  • She can't swim.        


  • vaardigheden of mogelijkheden
  • gebruikt in alle andere tijden
  • We were able to win the race.
  • He wasn't able to do his homework.     

Slide 11 - Slide

comparisons (1/1)

Slide 12 - Slide


  • Om twee of meer mensen/dieren/dingen met elkaar te vergelijken
comparisons (1/2)
vergelijkingen

  • Engelse vergelijkingen hebben twee vormen
  • Welke vorm je gebruikt, hangt af van de lengte van het 'vergelijkingswoord'
  • Woorden met één lettergreep:
  • +er / +est
  • big
  • bigger
  • biggest
  • cool
  • cooler
  • coolest
  • Woorden met drie of meer lettergrepen:
  • more / most
  • beautiful
  • more beautiful
  • most beautiful
  • amazing
  • more amazing
  • most amazing
  • Woorden met twee lettergrepen behandelen we volgende les

Slide 13 - Slide

comparisons (uitzonderingen)
vergelijkingen

  • good - better - best
  • bad - worse - worst
  • many - more - most
  • little (weinig) - less - least

Slide 14 - Slide

comparisons (2/2)

Slide 15 - Slide

comparisons (2/2)
vergelijkingen
  • Bij woorden met twee lettergrepen draait het om de laatste letters van het woord
  • LEEROWYSOME-woorden:
  • +er / +est
  • LEEROWYSOME-woorden zijn woorden die eindigen op:
  • le > simple - simpler - simplest
  • er > clever - cleverer - cleverest
  • ow > narrow - narrower - narrowest
  • y > happy - happier - happiest
  • some > handsome - handsomer - handsomest
  • Overige woorden:
  • more / most
  • boring - more boring - most boring
  • helpful - more helpful - most helpful
  • quiet - more quiet - most quiet
  • perfect - more perfect - most perfect
  • etc.
  • Uitzonderingen:
  • good - better - best
  • bad - worse - worst
  • many - more - most
  • little (weinig) - less - least
  • iets is gelijk: as ... as
  • iets is niet gelijk: not as ... as

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

comparisons (2/2)
vergelijkingen
  • Bij woorden met twee lettergrepen draait het om de laatste letters van het woord
  • LEEROWYSOME-woorden:
  • +er / +est
  • LEEROWYSOME-woorden zijn woorden die eindigen op:
  • le > simple - simpler - simplest
  • er > clever - cleverer - cleverest
  • ow > narrow - narrower - narrowest
  • y > happy - happier - happiest
  • some > handsome - handsomer - handsomest
  • Overige woorden:
  • more / most
  • boring - more boring - most boring
  • helpful - more helpful - most helpful
  • quiet - more quiet - most quiet
  • perfect - more perfect - most perfect
  • etc.
  • Uitzonderingen:
  • good - better - best
  • bad - worse - worst
  • many - more - most
  • little (weinig) - less - least
  • iets is gelijk: as ... as
  • iets is niet gelijk: not as ... as

Slide 18 - Slide

  1. more difficult than
  2. more colourful than
  3. the highest
  4. the tallest
  5. more expensive than
  6. the best
  7. more complex than
  8. easier
  9. the worst
  10. the most delicious
comparisons

Slide 19 - Slide

vocabulary 4.4

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Study: vocab 4.4 / comparisons 

Do: Exercise 44, 45+48, page 43+47+48, workbook B
 Exercise 48:
Explain your answer
één lettergreep
twee lettergrepen (leerowysome of niet)
drie lettergrepen
uitzondering
één lettergreep
twee lettergrepen > (leerowysome of niet)
drie lettergrepen
uitzondering
Exercise 44: 
Explain why!

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Slide

Exercise 44, page 43
  1. Terrific:          The others are negative.
  2. Discussion:    Not related to marketing.
  3. Never:            Others indicate some occurrence.
  4. Worse:           Not related to persuasion or advertising.
  5. Figure:           Not a number.
  6. Cold:              Not a characteristic specific to drinks.
  7. Love:              The others are negative.

Slide 25 - Slide

Exercise 45, page 43
  1. achtervolgen > chase
  2. vol > full
  3. koelkast > fridge
  4. overhalen > persuade
  5. ook > too
  6. beïnvloeden > influence
  7. elke, iedere > every
  8. fantastisch > terrific
  9. adverteren > advertise
  10. knipperende > flashing
  11. bevatten > contain
  12. slechter > worse

Slide 26 - Slide

Exercise 48, page 47+48
  1. (the) craziest (twee lettergrepen + y)
  2. better (than) (uitzondering)
  3. sweeter (than) (één lettergreep)
  4. not as healthy as (≠)
  5. (the) most disgusting (drie lettergrepen)
  6. more expensive (than) (drie lettergrepen)
  7. more creative (than) (drie lettergrepen)
  8. most modern (>>) (twee lettergrepen - géén leerowysome)
  9. as horrible as (=)
  10. most terrific (>>) (drie lettergrepen)
  11. most wonderful (>>) (drie lettergrepen)
  12. not as busy as (≠)

Slide 27 - Slide

Watch: Guerrilla Marketing: Shockingly Great Marketing 
              On A Small Budget

Do: Exercise 35, page 37, workbook B

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Video

Slide 30 - Slide

Exercise 35, page 37
  • V
  • X
  • V
  • V
  • X
  • V
  • X
low-budget
expensive media campaign
taking viewer by surprise
unconventional marketing
modern electronic billboards
relying on social media
using well-known people




Slide 31 - Slide

Watch: Guerrilla Marketing: Shockingly Great Marketing 
              On A Small Budget

Do: Exercise 36, page 38, workbook B

Slide 32 - Slide

Slide 33 - Video

Slide 34 - Slide

Exercise 36, page 38
  1. True
  2. False
  3. False
  4. True
  5. True
  6. False
  7. False
  8. True

Slide 35 - Slide

Watch: Guerrilla Marketing: Shockingly Great Marketing 
              On A Small Budget

Do: Exercise 37, page 38, workbook B

Slide 36 - Slide

Slide 37 - Video

Slide 38 - Slide

Exercise 37, page 38
  1. b
  2. b
  3. a
  4. c

Slide 39 - Slide

Slide 40 - Slide


- vocab 4.1 + 4.2 + 4.3 + 4.4
- phrases writing
- passive
- can vs. be able to
- comparisons

Slide 41 - Slide

      Wait for            Push your chair         Throw away
      the bell             under your desk          your litter
Thanks for your attention

Slide 42 - Slide

Study: vocabulary 4.4

Do: Exercise 44+45, page 45, workbook B
Exercise 44: Explain why it doesn't fit!

Slide 43 - Slide

Slide 44 - Slide