elektriciteit

Hoofdstuk 4
1 / 30
next
Slide 1: Slide
naskMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Hoofdstuk 4

Slide 1 - Slide

Wat gaan we vandaag doen
Begin maken hoofdstuk Elektriciteit

Slide 2 - Slide

Wat weet je van elektriciteit
Bespreek in 2 tallen wat je al weet over elektriciteit
Schrijf dit op
Na 2 minuten gaat elk groepje 1 ding hierover
vertellen in de klas
timer
2:00

Slide 3 - Slide

Ook in de natuur kun je elektriciteit tegenkomen.Welk verschijnsel heeft met elektriciteit te maken?
A
bliksem tijdens het onweer
B
de donder tijdens het onweer
C
het licht van de zon
D
de warmte van de zon

Slide 4 - Quiz

Stroomkring
Wat zou je nodig hebben om een lampje te laten branden
Overleg met elkaar
Schrijf dit op
timer
2:30

Slide 5 - Slide

Bekijk het filmpje 
Na het filmpje wil ik graag weten:
welke 3 onderdelen heb ik nodig voor een stroomkring?
Wat gebeurt er als je de stroomkring onderbreekt?

Slide 6 - Slide

Thuis heb je verschillende elektrische apparaten staan.
Wat is géén elektrisch apparaat?
A
De televisie
B
de verlichting
C
de stereo-installatie
D
de verwarming

Slide 7 - Quiz

Slide 8 - Video

Stroomkring
Een lamp
Een batterij
Een snoer

Slide 9 - Slide

Elektriciteit
Veel apparaten werken op batterijen. 

Batterijen geven elektriciteit.

Je hebt vele verschillende batterijen.

Slide 10 - Slide

Waarom noemen we het een stroomkring?
Overleg met elkaar
timer
2:30

Slide 11 - Slide

gesloten stroomkring
Met een batterij kun je een lampje laten branden.
 Dat lukt alleen als de stroom rond kan stromen: van de batterij naar het lampje, door de gloeidraad van het lampje en weer terug naar de andere kant van de batterij.


Er is dan een gesloten stroomkring. 

Als je de stroomkring onderbreekt, gaat het lampje weer uit.

Slide 12 - Slide

Onderdelen van een stroomkring
De woorden ‘stroom’ en ‘stroomkring’ maken duidelijk dat er ‘iets’ beweegt door de snoeren en het lampje. 
Natuurkundigen hebben dat ‘iets’ de naam lading gegeven.

 Een elektrische stroom bestaat uit bewegende lading.  Als je een stroomkring onderbreekt, valt die beweging stil.
 De lading is er nog wel, maar die kan niet meer door de stroomkring heen bewegen.


Slide 13 - Slide

Huiswerk

maken introductie van hoofdstuk 4

Slide 14 - Slide

Hoofdstuk 4.1 Stroomkring maken

Slide 15 - Slide

Een stroomkring maken

Slide 16 - Slide

Stroomkring
Elektriciteit is eenrichtingsverkeer.
Stroomdeeltjes moeten terug kunnen naar de batterij.

Open en gesloten stroomkring

Geleiders en isolatoren

Slide 17 - Slide

Stroomkring
  • Gesloten stroomkring:
De elektrische lading kunnen een rondje maken.

  • Open stroomkring:
De kring is niet gesloten.

Slide 18 - Slide

Isolatoren en geleiders

Slide 19 - Slide

isolerende en geleidende stoffen
Er zijn verschillende manieren om de onderdelen van een stroomkring met elkaar te verbinden. 
Meestal gebruik je daar snoeren voor.
 De elektrische stroom loopt door het koperdraad dat in zo’n snoer zit. Dit noem je een geleider.

De buitenkant van het snoer is van plastic. Daar loopt geen elektrische stroom doorheen. Dit noem je een isolator.

Slide 20 - Slide

Geleider

Stoffen waar een elektrische stroom gemakkelijk doorheen kan lopen.

 Alle metalen zijn geleiders, maar het ene metaal geleidt beter dan het andere. 

Koper en aluminium geleiden bijvoorbeeld beter dan ijzer en lood.

 Koolstof is ook een geleider, al is het geen metaal.
Isolator

Stoffen die een elektrische stroom niet of heel slecht doorlaten.

 Voorbeelden zijn rubber, glas en de meeste soorten plastic. 

Als een vaste stof geen metaal is, dan is het bijna altijd een isolator. 

Ook lucht is een goede isolator.

Slide 21 - Slide

De stroom meten
Met een stroommeter kun je meten hoe ‘sterk’ de elektrische stroom door een stroomkring is. 
Je meet dan op een bepaald punt in de stroomkring hoeveel lading er in één seconde voorbijkomt. 
Dat noem je de stroomsterkte

Hoe meer lading er in een seconde voorbij komt, des te groter is de stroomsterkte.

De eenheid van stroomsterkte is ampère (A). 
Een stroommeter wordt daarom ook wel ampèremeter genoemd. 
Als de stroomsterkte klein is, meet je de stroom meestal in milliampère (mA).

Slide 22 - Slide

Stroommeter aflezen
Je schrijft dit als: 

I = 0,015 A





I = 0,32 A

Slide 23 - Slide

stroommeter aflezen





meetbereik staat op 0,5 A
je kijkt dan dus naar de middelste rij cijfers
je kunt nu aflezen 0,3A

Slide 24 - Slide

De stroomsterkte is op elke plaats in de stroomkring even groot. Het maakt dan ook niet uit waar je de stroommeter in de stroomkring opneemt: links of rechts van het lampje.

Slide 25 - Slide

omrekenen
1 mA = 0,001 A

1 A = 1000 mA

Slide 26 - Slide

Huiswerk

maken 4.1:  opdrachten 1 t/m 13
                        opdracht 5 en 8 uitwerken op werkblad

Slide 27 - Slide

                 serie en parallel

Slide 28 - Slide

Serie & Parallel

Slide 29 - Slide

drukschakelaar
In een gesloten stroomkring loopt de stroom door de geleidende delen van snoeren, lampjes of apparaten.

 Met een schakelaar kun je de stroom aan- en uitschakelen.
 Als je de stroom inschakelt, komen twee geleidende delen in de schakelaar met elkaar in contact. 
De stroomkring wordt zo gesloten.

Als je met de schakelaar de stroomkring onderbreekt, is er geen geleidende verbinding meer. 
De stroomkring is dan open en de elektriciteit kan niet meer door de lamp stromen.
 Bij een open stroomkring kan de lamp dus niet branden.

Slide 30 - Slide