Leren voor de toets werk 2025

Leren voor de toets werk 2025
1 / 47
next
Slide 1: Slide
MaatschappijkundeMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 3

This lesson contains 47 slides, with text slides and 4 videos.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Leren voor de toets werk 2025

Slide 1 - Slide

Thema: Werk
"De verandering van de arbeidsmarkt"

Slide 2 - Slide

leerdoelen
- Je kunt uitleggen hoe de arbeidsmarkt veranderd is vanaf de 19de eeuw.

- Je kunt de begrippen: mechanisering, automatisering, informatisering en Artificiële Intelligentie  uitleggen en een voorbeeld van geven.

- Je kunt voor- en nadelen noemen van een vast contract en flexwerken.

Slide 3 - Slide

Mechanisering
Sinds de industriële revolutie (1860) is er sprake van mechanisering op de arbeidsmarkt: machines ondersteunen mensen bij hun werk, zoals een graafmachine en een heftruck. Zij vervangen menselijke spierkracht maar niet de mensen zelf. Het werk werd hierdoor makkelijker voor de mensen.



Slide 4 - Slide

Automatisering
Sinds de komst van computers (1950) is er sprake automatisering op de arbeidsmarkt: computers (programma's) nemen het werk van mensen (deels) over, vooral sinds er de laatste jaren robots worden ontwikkeld. Automatisering heeft gevolgen voor de arbeidsmarkt: verwacht wordt dat robots in de toekomst steeds meer werk van laagopgeleide mensen gaan overnemen.

Slide 5 - Slide

Informatisering
Ongeveer de laatste 20 jaar is er sprake van informatisering op de arbeidsmarkt: 
mensen gebruiken computers (tablets, smartphones etc.) om informatie te krijgen, delen en gebruiken - dit is sterk verbonden met automatisering. 

Informatisering heeft gevolgen voor de arbeidsmarkt: 
- mensen kunnen flexibeler werken;
- mensen hebben meer vrijheid om te kiezen waar en wanneer ze werken. 

Door informatisering is het werk voor veel mensen makkelijker geworden, terwijl (met name ouderen) het soms lastig vinden om te leren omgaan met alle nieuwe ontwikkelingen. 

Slide 6 - Slide

artificial intelligence (AI) 
Van aanbevelingen op je tijdlijn tot deepfake-filmpjes. En van ChatGPT tot je navigatie-app. We krijgen in ons mediagebruik steeds vaker te maken met kunstmatige intelligentie, ook wel AI genoemd.

AI is de intelligentie waarmee machines, software en apparaten zelfstandig problemen oplossen. Zij imiteren hierbij het denkvermogen van de mens. 

Machines, software, robots of andere apparaten met AI (artificiële intelligentie) reageren op data of impulsen uit hun omgeving. Daarmee nemen ze zelfstandig beslissingen. Het gaat bij AI dus niet om de rekenkracht, maar om de mogelijkheid (zelfstandig) te leren en beslissingen te nemen.



Slide 7 - Slide

Soorten dienstverband
- Vast contract
- Tijdelijke contract
- zelfstandige

Slide 8 - Slide

Flexwerk
Werken zonder een vast contract
Zzp'ers (zelfstandig zonder personeel)
 Oproep- en  uitzendkrachten

Slide 9 - Slide

Zzp'ers 
Mensen die zelfstandig werken, meestal voor meerdere opdrachtgevers. Denk aan de zorg, journalistiek.
Voordeel voor werknemers: De vrijheid
Voordeel werkgever: Zit niet aan de werknemer vast.

Slide 10 - Slide

Begrippen
Mechanisering: machines ondersteunen mensen bij hun werk
Automatisering: computers (programma's) nemen het werk van mensen deels over.
A.I.: artificial intelligence; AI is de intelligentie waarmee machines, software en apparaten       zelfstandig problemen oplossen.
Informatisering: mensen gebruiken computers (tablets, smartphones etc.) om informatie te krijgen, delen en gebruiken
Flexwerken: Werken zonder een vast contract
ZZP-er: Mensen die zelfstandig werken, meestal voor meerdere opdrachtgevers

Slide 11 - Slide

H2. De verzorgingsstaat 
Thema: Werk

Slide 12 - Slide

Lesdoelen, na deze les kan je...

  • In eigen woorden uitleggen wat een verzorgingsstaat is

  • De taken van de overheid ten aanzien van de verzorgingsstaat benoemen

  • Een aantal problemen van de verzorgingsstaat benoemen

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Video

Tot in de 19e eeuw...
  • Weinig wetten en regels

  • De overheid bemoeide zich weinig met bedrijven

  • Geen bestaanszekerheid (inkomen, gezondheidszorg, huisvesting en onderwijs)
Bestaanszekerheid
= ieder mens heeft tenminste huisvesting, toegang tot gezondheidszorg en onderwijs. Daarnaast heeft ieder mens een inkomen.

Slide 15 - Slide

Kinderwetje van Van Houten (1874)
Kinderarbeid in de fabriek werd verboden

Leerplichtwet (1901):
Kinderen  6 tot 12 jaar moesten 
voortaan naar school.



Kinderwetje van Van Houten
Het Kinderwetje van Van Houten verbood kinderarbeid. Het kwam aan zijn naam omdat het werd ingediend door kamerlid Samuel van Houten. 

Slide 16 - Slide

Na 1945
De overheid gaat voor de mensen zorgen
Mensen kregen bestaanszekerheid:
Het recht op een huis, gezondheidszorg, onderwijs en een inkomen.

Nederland wordt een verzorgingsstaat:
Een staat waarin de overheid zorgt voor een minimumniveau van bestaanszekerheid

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Video

Hoe ziet de verzorgingsstaat eruit?
taken van de overheid
1. Sociale zekerheid
Beschermen burgers tegen verlies van inkomen
2. Welzijnsvoorzieningen
Gezondheidszorg, onderwijs en huisvesting
3. Verschil arm en rijk
Moet niet te groot worden

4. Werkgelegenheid
Voldoende werk voor iedereen

Slide 19 - Slide

Problemen met de verzorgingsstaat
De verzorgingsstaat wordt te duur:

1. Te veel mensen krijgen een uitkering
(Werkloosheid, vergrijzing en arbeidsongeschikten)

2. Te veel mensen afhankelijk van een uitkering
Langdurige werklozen

3. Misbruik
Zwartwerken en fraude

Slide 20 - Slide

Oplossingen van de overheid:
  • Uitkeringen omlaag
  • meer controle op misbruik (maar dat ging ook mis; toeslagenaffaire)
  • De overheid zorgt voor meer werkgelegenheid ook als je daar hulp bij nodig hebt (participatiewet)




Slide 21 - Slide

Begrippen H2
Verzorgingsstaat: een staat waarin de overheid zorgt voor een minimumniveau van bestaanszekerheid.
Bestaanszekerheid: Het recht op een huis, gezondheidszorg, onderwijs en een inkomen.
De armenwet: Mensen kregen onder voorwaarden beperkte steun van de overheid
Kinderwetje van van Houten: Kinderarbeid in de fabriek werd verboden
De arbeidswet: Hierdoor hoefden mensen niet meer dan 8 uren te werken per dag
Sociale zekerheid: De zekerheid van inkomen bij ziekte, ouderdom, arbeidsongeschiktheid of werkeloosheid.
Taken van de overheid: Zorgen voor sociale zekerheid, welzijnsvoorzieningen, werkgelegenheid en een niet te grote kloof tussen arm en rijk.

Slide 22 - Slide

Les 3: bedrijfscultuur

Slide 23 - Slide

Leerdoelen:
Ik kan uitleggen:
- Wat arbeidsverhoudingen/bedrijfscultuur is en hoe die verschilt per bedrijf.

- welke ethische regels gelden er op je werk? En wat is een ethische code?

Slide 24 - Slide

arbeidsverhoudingen:
De manier waarop collega's met elkaar omgaan en de verhouding tussen ondergeschikten en leidinggevenden.

Dit is in elke  bedrijf anders

Ervaring?

Slide 25 - Slide

Bedrijfscultuur 
Normen, waarden, gewoonten en omgangsvormen binnen een bedrijf. 
De regels binnen een bedrijf: welke kleding moet je aan? 
Mag je praten tijdens het werk? Mag je de baas bij haar/zijn voornaam noemen? Is de sfeer ontspannen?
De regels zijn in elk bedrijf anders.

Slide 26 - Slide

Ongeschreven regels op het werk:

Zijn de regels die niet op papier staan maar die we zo vinden horen.


Bijvoorbeeld:
Als iemand voor jou werkt dan werk jij ook eens voor hem/haar.

Geschreven regels:

Zijn de regels die op papier staan. 
Deze staan in de wet of  in je contract.


Bijvoorbeeld:
-Wanneer je pauze hebt.
- Welke kleding je moet dragen.

Slide 27 - Slide

Ethische vraagstukken:
moeilijke keuzes, die te maken hebben met je normen en waarden. 

Veel bedrijven hebben een ethische code:
Afspraken over hoe je om moet gaan met moeilijke kwesties.
bijvoorbeeld: Je neemt geen cadeaus aan van klanten. Je appt niet onder werktijd. Je bent eerlijk. Je hebt geen relatie met iemand binnen het bedrijf.

Bespreek: Wat zou jij doen en waarom?

Slide 28 - Slide

Begrippen H3:
Arbeidsverhoudingen: 
De manier waarop collega's met elkaar omgaan en de verhouding tussen ondergeschikten en leidinggevenden
Bedrijfscultuur: 
Normen, waarden, gewoonten en omgangsvormen binnen een bedrijf.
Waarden & normen: 
Waarden zijn principes die je belangrijk vindt in het leven. Normen zijn de regels die daarbij horen. 
Geschreven en ongeschreven regels: 
Geschreven regels staan in wetten en reglementen.
Ongeschreven regels zijn gewoontes waar je je aan hoort te houden.
Ethische code: 
Afspraken over hoe je om moet gaan met  moeilijke kwesties. Waar het bedrijf zich aan wil houden.
 






















Slide 29 - Slide

De sociale partners 
Werkgevers
&

Slide 30 - Slide

Lesdoelen
- Je kan benoemen welke belangen werknemers en werkgevers hebben.
- Je kan uitleggen hoe werkgevers en werknemers georganiseerd zijn.

  


Slide 31 - Slide

Belangen 
Belang(en): wat voor werknemer of werkgever belangrijk is, waar je voordeel bij hebt. 

Werkgevers en werknemers hebben voor een deel dezelfde belangen. Bijvoorbeeld dat het goed gaat met het bedrijf en dat er een fijne werksfeer is.
Werkgevers en werknemers hebben ook verschillende belangen. Kijk maar eens op de volgende slide.

Slide 32 - Slide

Belang werknemers
-hoog loon
-prettige werktijden
-gezonde en veilige werkplek
-inspraak (meepraten) 


Belang werkgevers
-lage kosten, lage lonen
- Flexibel inzetbaar
-weinig regels van de overheid (over bijvoorbeeld ontslag) 


Slide 33 - Slide

Slide 34 - Video

Hoe proberen vakbonden hun doelen te bereiken?

Een belangrijke manier is onderhandelen om betere arbeidsvoorwaarden te krijgen.
Ze praten bijvoorbeeld met werkgevers over salaris, ouderschapsverlof, pensioen, werktijden, vakantiedagen en veiligheid op de werkvloer. 

De afspraken staan in een cao: een collectieve arbeidersovereenkomst. 
Als je lid bent van een vakbond, kun je meepraten over het cao. Ook kan je hulp of advies krijgen, bijvoorbeeld bij een conflict met je baas.

Slide 35 - Slide

Werknemers

Kunnen zich aansluiten bij een vakbond
Werkgevers

Kunnen zich aansluiten bij een werkgeversorganisatie

Slide 36 - Slide

 werkgeversorganisaties
Werkgeversorganisaties komen op voor de belangen van werkgevers. Voorbeelden van werkgeversorganisaties zijn AWVN en MKB-Nederland.

Werkgeversorganisaties adviseren werkgevers:
- bij conflicten met werknemers
- rechtshulp als werknemers willen staken.
- Hoe ze veel mensen ineens kunnen ontslaan bij een reorganisatie.

Slide 37 - Slide

Begrippen H4
Vakbonden: 
Verenigingen waar je lid van kunt worden als werknemer; ze komen op voor jouw belangen.

Werkgeversorganisaties: 
Verenigingen waar werkgevers lid van kunnen worden; zij helpen werkgevers met hun problemen.

Belangen: 
Wat voor een werknemer of werkgever belangrijk is, waar je voordeel bij hebt. Soms botsen de belangen en soms zijn ze hetzelfde.

Belangentegenstelling:
Mensen (bijvoorbeeld werkgever en werknemer) hebben verschillende belangen en deze belangen botsen.

Cao: Collectieve arbeidsovereenkomst; een standaardcontract met afspraken voor een hele bedrijfstak. Bijvoorbeeld de bouw. 



















Slide 38 - Slide

Les 5: Sociale ongelijkheid

Slide 39 - Slide

Leerdoelen:
Ik kan straks uitleggen:
- Wat sociale ongelijkheid is en waardoor dat is ontstaan.
- Wat de begrippen maatschappelijke positie en maatschappelijke ladder betekenen en een voorbeeld geven.
- waardoor sommige mensen minder kansen hebben.
- Hoe zorgt de overheid voor gelijke kansen?

Slide 40 - Slide

Sociale ongelijkheid:
Dat wil zeggen dat inkomen, kennis en macht niet gelijk over mensen zijn verdeeld.


Slide 41 - Slide

Maatschappelijke positie
Maatschappelijke positie: 

De plek die je inneemt in de samenleving (en op de maatschappelijke ladder).
Geld, macht, kennis en verantwoordelijkheid hebben hiermee te maken.
Maatschappelijke ladder: 
Een indeling van mensen in een samenleving op basis van hun maatschappelijke positie. 





Slide 42 - Slide

Waarom hebben sommige mensen minder kans op een hoge maatschappelijke positie?
- arbeidsdeling
- vooroordelen 
- discriminatie
- taalachterstand

Slide 43 - Slide

Dit begint al in het onderwijs:


kijk mee en bedenk wat je hiervan vindt

Slide 44 - Slide

Slide 45 - Video

Hoe zorgt de overheid voor gelijke kansen?
- de doorstroomtoets groep 8
- Wet gelijke behandeling
- tegemoetkoming kosten kinderopvang
- subsidies voor taallessen/basisvaardigheden
- subsidies voor medewerkers met handicap



Slide 46 - Slide

Begrippen:
Sociale ongelijkheid: 

Ongelijke verdeling van spullen en ongelijke behandeling van mensen/groepen in de maatschappij. 
 Status: 
Aanzien, hoe je beoordeeld wordt door andere mensen.
Maatschappelijke positie: 
Je plek op de maatschappelijke ladder, bepaald door macht, status en inkomen. 
Maatschappelijke ladder: 
Een indeling van mensen in een samenleving op basis van hun maatschappelijke positie. De positie op de ladder wordt bepaald door de macht, het inkomen en de status of wel aanzien zoals die door anderen wordt toegewezen aan het beroep dat iemand heeft.
Vooroordelen: Oordelen over een persoon zonder dat je de feiten kent. 
arbeidsdeling:  is het opsplitsen van taken of arbeid.













Slide 47 - Slide