This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.
Items in this lesson
Hoofdstuk 1
Bewegen in het verkeer
Slide 1 - Slide
Een auto rijdt met een snelheid van 63 km/h. De automobilist geeft meer gas, waardoor zijn snelheid in 5,0s eenparig toeneemt tot 90 km/h.
a) Bereken de versnelling van de auto in m/s.
b) Bepaal de afstand die de auto tijdens de beweging aflegt. Schets daarvoor eerst het (v,t)-diagram.
c) Bereken de eindsnelheid als de versnelling niet 5,0s maar 6,0s duurt.
Slide 2 - Slide
Slide 3 - Slide
Een auto heeft een massa van 1150kg en trekt een aanhanger van 630kg. De auto staat 2 minuten stil bij een stoplicht omvervolgens in 10s eenparig op te trekken. De motorkracht is 4,6 KN en de wrijfingskracht die de auto ondervind bij het optrekken is 700N. Bereken de afstand die de auto aflegd tijdens het optrekken.
Slide 4 - Slide
Slide 5 - Slide
Een voorwerp beweegt eenparig.
A
Er werkt een kracht naar voren op het voorwerp.
B
Er werken allerlei krachten op het voorwerp. Samen leveren ze een kracht op naar voren.
C
Er werken allerlei krachten op het voorwerp. Ze heffen elkaar op.
D
De snelheid van het voorwerp is constant.
Slide 6 - Quiz
Een ruimteschip begeeft zich veel jaren in de ruimte . Het ruimteschip heeft het zonnestelsel verlaten omdat de motor is uitgevallen.
A
De motor werkt nu niet meer, maar hij heeft wel heel lang gewerkt en daardoor neemt de snelheid nog steeds toe.
B
Er werken geen krachten op het ruimteschip en de snelheid blijft dus even groot.
C
De motor doet het niet meer en dus neemt de snelheid langzaam af.
D
De motor doet het niet meer en dus werkt er geen kracht meer op het ruimtevaartuig en het staat dus stil.
Slide 7 - Quiz
Een volwassen snoek met een massa van 18,0kg kan een snelheid van 21km/h halen in 0,070s.
Bereken de kracht die de snoek nodig heeft voor deze versnelling.
Slide 8 - Slide
Slide 9 - Slide
Een FR-35 straaljager met een massa van 6500 kg komt met een snelheid van 256 km/h aan om te landen op de landingsbaan.
Na 2,9 s staat hij stil. Bereken de kracht die nodig is om te remmen.
Slide 10 - Slide
Slide 11 - Slide
De piloot heeft een massa van 80kg bereken de kracht op de piloot tijdens het remmen.
Slide 12 - Slide
Slide 13 - Slide
Van welke factoren hebben invloed op de reactietijd?
Hoe vermoeid je bent;
Of je alcohol hebt gedronken;
Of je van nature ene snelle of langzame reactie hebt;
Of je geconcentreerd bent in het verkeer.
Slide 14 - Slide
Welke factoren hebben invloed op de remafstand?
Je reactietijd;
Je beginsnelheid.
Slide 15 - Slide
Waardoor wordt je remweg langer?
gladde banden
natwegdek
grote snelheid
Slide 16 - Slide
Bereken de afstand die de auto aflegt.
s = v ∙ t
½ ∙ 20 ∙ 20 = 200m
20 ∙ 20 = 400m
½ ∙ 20 ∙10 + 20 ∙10 = 300m
20 ∙ 40 = 800m
½ ∙ 40 ∙ 20 = 400m
Totaal = 2100m
Slide 17 - Slide
Bereken de snelheid over het traject
Gegeven: s=2100m t = 90s
gevraagd: Vgem in m/s
uitwerking:
vgem = ∆stot / ∆ttot
vgem = 2100 / 90
Vgem. = 23,3 m/s = 84 km/h
Slide 18 - Slide
Twee auto's rijden achter elkaar op de snelweg met een snelheid van 100km/h. Plotseling moet de voorste auto remmen. Om een botsing te voorkomen moet de achterste auto ook vol in de remmen. De chauffeur van de achterste auto heeft een reactietijd van 0,40s. Beide auto's remmen met een remvertraging van 5,2 m/s². Op het moment dat de achterste auto begint met remmen is de afstand tussen de auto's 10m. Botsen de auto's op elkaar?
Slide 19 - Slide
Slide 20 - Slide
Je rijdt met 18 km/h over een rotonde. De diameter van jouw baan is 20,0m. Je vriendjerijdt steeds 1,0m naast je in de buitenbocht.