Betoog

Betoog
1 / 34
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 4

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Betoog

Slide 1 - Slide

Betoog 

Slide 2 - Slide

Leerdoelen
Je weet wat een betoog is.
Je weet wat belangrijk is bij het schrijven van een betoog.

Slide 3 - Slide

De titel van een betoog bevat
A
wel een mening
B
nooit een mening

Slide 4 - Quiz

0

Slide 5 - Video

Belangrijke punten
  • Tekstdoel van een betoog is overtuigen.
  • Je schrijft een betoog naar aanleiding van een standpunt.
  • Over een standpunt kun je van mening verschillen.   
  • Er moet een maatschappelijke discussie over het onderwerp bestaan.
  • Om je mening duidelijk te maken, gebruik je argumenten of redenen.
  • Bij elk argument geef je voorbeelden, uitleg of resultaten van een onderzoek.

Slide 6 - Slide

Formuleer een goed geformuleerd standpunt met de volgende woorden: kerstdiner - vlees - gegeten

Slide 7 - Open question

Formuleer een goed geformuleerd standpunt met de volgende woorden: vrouwelijke topsporters - verdienen - mannelijke topsporters

Slide 8 - Open question

Formuleer een goed geformuleerd standpunt met de volgende woorden:
reclames - vliegvakanties - verboden

Slide 9 - Open question

In een betoog probeert de schrijver je te overtuigen van zijn gelijk
A
Waar
B
Niet waar

Slide 10 - Quiz

Wat is een betoog
Een tekst waarin je een standpunt (jouw mening) verdedigt.

Dit doe je met argumenten.

Slide 11 - Slide

Mensen gebruiken dus argumenten om elkaar van iets te overtuigen. Dit doen ze ook op papier, bijvoorbeeld in een betoog. 

Slide 12 - Slide

Wat is de opbouw van een betoog?
Inleiding: standpunt
Kern: hoofdargumenten en ondersteuningen
Slot: herhaling standpunt en samenvatting argumenten

Slide 13 - Slide

Wat zijn de belangrijkste functies van de inleiding van een betoog?
A
het onderwerp introduceren en het standpunt noemen
B
het onderwerp introduceren en de centrale vraag stellen
C
het onderwerp introduceren en het standpunt noemen en de centrale vraag stellen
D
het onderwerp introduceren, het standpunt noemen en het eerste argument geven

Slide 14 - Quiz

Inleiding
Je introduceert het onderwerp.
Je maakt je standpunt duidelijk.

In de inleiding zet je geen argumenten.

Slide 15 - Slide

Wat komt er dus in een goede inleiding van een betoog aan bod?
A
het eerste argument
B
de introductie van het onderwerp
C
het standpunt
D
de centrale vraag

Slide 16 - Quiz

voorbeeld 1: inleiding 
Vorig jaar was ik in Engeland en daar zag ik leerlingen allemaal in hetzelfde uniform naar school gaan. Belachelijk toch? Je moet er niet aan denken om er elke dag hetzelfde te moeten uitzien en je niet meer van anderen te kunnen onderscheiden. Dus laten we alsjeblieft nooit schooluniformen invoeren in Nederland!

Slide 17 - Slide

voorbeeld 2: inleiding
Opvoeding van kinderen

Ik vind dat het verschilt per gezin of kinderen strenger opgevoed moeten worden. In het ene gezin worden kinderen al goed opgevoed, maar in het andere  gezin kan dat misschien veel beter. Hoe kunnen kinderen goed opgevoed worden?


Slide 18 - Slide

Welke inleiding is beter: voorbeeld 1 of voorbeeld 2? Leg je antwoord uit.

Slide 19 - Open question

Voorbeeld inleiding actualiteit
De laatste jaren is het een terugkerend probleem: toegangswegen naar middelbare scholen lopen helemaal vol. Ook rondom de scholen is het een chaos: alle parkeerplekken zijn vol waardoor docenten niet kunnen parkeren. Deze problemen spelen vooral als het slecht weer is en leerlingen niet willen fietsen. Dit probleem kunnen we makkelijk oplossen door scholieren gratis met het openbaar vervoer te laten reizen.

Slide 20 - Slide

Voorbeeld inleiding anekdote
Truusje (12) woont in Zuilen. Elke dag moet zij vijftien kilometer fietsen om bij haar school te komen. Ze moet erg vroeg opstaan en ze is 's middags pas laat thuis. Truusje is niet de enige leerling waarbij dit speelt. Dagelijks moeten honderden kinderen uren fietsen van een naar school. Naar mijn idee zou het een goed idee zijn om scholieren gratis met het openbaar vervoer te laten reizen.

Slide 21 - Slide

Wat moet een goede alinea van de kern van een betoog bevatten? Kies het beste antwoord:
A
het hoofdargument
B
de uitleg van het hoofdargument
C
het hoofdargument + ondersteuning van het hoofdargument
D
hoofdargument + ondersteuning + conclusie

Slide 22 - Quiz

Welke signaalwoorden kun je gebruiken, zodat hoofdargumenten goed herkenbaar zijn?
A
ten eerste, ten tweede, tenslotte
B
ten eerste, ten tweede, zo
C
ten eerste, bovendien, zo

Slide 23 - Quiz

Middenstuk
Je geeft argumenten voor je standpunt.
Voor elk hoofdargument gebruik je een nieuwe alinea.
Ondersteuning van het hoofdargument: Jouw argumenten breid je uit met uitleg, voorbeelden of een onderzoek (met bronvermelding!).

Het gebruik van signaalwoorden is erg belangrijk!

Schrijvers gebruiken meestal ook een of twee tegenargumenten.

Slide 24 - Slide

Maak gebruik van signaalwoorden


- Reden of argument: namelijk, immers, want, omdat

- Oorzaak-gevolg: doordat, daardoor, zodat, als gevolg van

- Tegenstelling: maar, toch, echter, enerzijds, daarentegen

- Samenvatting: kortom, al met al, met andere woorden

- Conclusie: dus, concluderend, samengevat

Slide 25 - Slide

Oefenen met argumenten bedenken

Welke argumenten kan je bij de volgende meningen bedenken? Probeer er telkens drie te bedenken.

Slide 26 - Slide

Ik vind dat elke stad een vuurwerkshow moet organiseren.

Slide 27 - Open question

Ik vind dat vliegen binnen Europa verboden moet worden.

Slide 28 - Open question

1. Scholieren hebben vaak erg lange en vermoeiende lesdagen. 2. Gratis met het openbaar vervoer reizen zorgt ervoor dat scholieren met meer energie aan de schooldag beginnen, waardoor ze hun energie in hun schoolwerk kunnen steken en mogelijk betere resultaten halen. 3. Natuurlijk kost het de staat veel geld om al deze leerlingen met het openbaar vervoer te laten reizen, 4. maar op de lange termijn levert het betere resultaten en dus meer diploma's op, waardoor dat geld weer terugverdiend wordt.
A
1. = hoofdargument 2= ondersteuning 3= tegenargument 4= weerlegging
B
1. = standpunt 2= hoofdargument 3= tegenargument 4= ondersteuning
C
1. = standpunt 2= hoofdargument 3= tegenargument 4= weerlegging
D
1. = hoofdargument 2= standpunt 3= tegenargument 4= ondersteuning

Slide 29 - Quiz

Welke onderdelen moeten terugkomen in het slot van een betoog?
A
het standpunt
B
de conclusie
C
het standpunt en een samenvatting van alle argumenten
D
een samenvatting en conclusie

Slide 30 - Quiz

Slot
  • Herhaal kort je argumenten 
  • Trek een conclusie (en daarom ben ik van mening dat ...)
  • Sluit af met een uitsmijter; een pakkende zin om je betoog mee af te sluiten --> Laten we dit plan zo snel mogelijk uitvoeren, want de scholieren zijn onze toekomst!

Slide 31 - Slide

Het betoog schrijven
Als je bouwplan af is, schrijf je je betoog op papier.
Wat mag je gebruiken: de verzamelde artikelen, het bouwplan en het oefenbetoog.

Een betoog heeft altijd een titel.
Gebruik witregels tussen alinea's.
Gebruik signaalwoorden in de alinea's.

Slide 32 - Slide

Betoog: dus

Met een betoog wil je het publiek overtuigen van jouw mening in een vorm van een standpunt.

Je onderbouwt je mening met argumenten. Deze argumenten ondersteun je met uitleg of voorbeelden.

 

In het slot vat je de argumenten kort samen en herhaal je je standpunt.

Slide 33 - Slide

Samengevat
  • inleiding (actualiteit of anekdote): standpunt staat, maar geen argumenten
  • twee alinea's met argumenten (voor of tegen)
  • eén alinea met een tegenargument 
  • eén slotalinea met daarin je argumenten, standpunt in andere woorden en een uitsmijter

Slide 34 - Slide