This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 60 min
Items in this lesson
Grootheden en Eenheden
Slide 1 - Slide
grootheden en eenheden
Slide 2 - Mind map
Wat zijn grootheden en eenheden?
Een grootheid is iets wat je kunt meten, zoals lengte of massa,
Een eenheid is een afgesproken hoeveelheid, zoals meter, kilogram, seconde. Deze afspraken bij elkaar worden ook wel het SI-stelsel genoemd (Système International).
Slide 3 - Slide
Referentiematen:
Tropisch warm = 30°C
Oven +/- 200° C
Slide 4 - Slide
Verschillende eenheden
In Nederland wordt temperatuur aangegeven door een aantal graden Celsius
Fahrenheit is een eenheid om temperatuur aan te geven die vooral in Amerika wordt gebruikt
In de wetenschap wordt vooral met Kelvin gewerkt.
Slide 5 - Slide
Lengte
Slide 6 - Slide
Lengte
De lengte van een figuur geeft aan hoe lang dat figuur of voorwerp is.
Soms hebben ze het ook wel over afstand.
Bijvoorbeeld:
De Lengte van de woonkamer is 7 meter.
De afstand tussen Oosterhout is 5 km.
Voorbeelden:
De lengte van het lokaal is 7 meter.
De afstand naar Rotterdam is 20 km.
De lengte geeft aan hoe lang
een figuur of voorwerp is.
Met lengte kan ook afstand worden bedoeld.
Slide 7 - Slide
Referentiematen
Slide 8 - Slide
Andere eenheden LENGTE
1 Yard = 91,44 cm
1 Foot = 30,48 cm
1 Inch = 2,54 cm
1 Mijl = 1,609344 km
1 Zeemijl = 1,852 km
Niet onthouden wel om kunnen rekenen!
Slide 9 - Slide
Gewicht
Slide 10 - Slide
Een eenheid voor heel kleine hoeveelheden is de microgram. Die wordt vaak gebruikt voor de werkzame stoffen in bijvoorbeeld medicijnen of supplementen. De afkorting is μg. 1 microgram is 0,000001 gram.
Slide 11 - Slide
Referentiematen
Slide 12 - Slide
Geld
Slide 13 - Slide
euro's en centen
1 euro = 100 eurocenten
100 eurocenten = 1 euro
Bij vermenigvuldigen van de euro,
veranderen de eurocenten ... x mee!
Slide 14 - Slide
- Per 1000 tal komt er een punt.
Achter een hele euro komt altijd een komma, daarna twee decimalen.
voorbeeld: duizend euro = € 1.000,00
Slide 15 - Slide
Afronden
Als je een getal moet afronden, let dan alleen op het eerste cijfer dat je weglaat. Als dat cijfer lager is dan 5, rond je naar beneden af. Is dat cijfer 5 of hoger, rond je omhoog af.
Slide 16 - Slide
TIJD
Slide 17 - Slide
Slide 18 - Slide
Referentiematen - TIJD
In 1 uur loop je ongeveer 5 kilometer.
In 1 uur fiets je ongeveer 15 tot 20 kilometer.
In 1 uur rijd je met de auto op de snelweg 100 tot 130 kilometer.
Een zachtgekookt ei leg je ongeveer 4 minuten in kokend water. Een hardgekookt ei kook je ongeveer 10 minuten.
Een gerecht met bladerdeeg bak je in ongeveer 15 tot 20 minuten in de oven.
Een reguliere les duurt ongeveer 50 minuten tot een uur.
Een seconde duurt ongeveer net zo lang als het uitspreken van het woord ‘eenentwintig’.
Je hartslag is in rust tussen de 60 en 100 slagen per minuut.
Slide 19 - Slide
1,25 minuut is 75 seconden?
A
waar
B
niet waar?
Slide 20 - Quiz
Let dus op!
Verschil tussen komma en "dubbele punt"
Na komma: decimale gedeelte van minuut, uur, dag
bijvoorbeeld: 1,4 minuut =
1 minuut en 4/10 van een minuut =24 seconden
Na dubbele punt: kleinere eenheid van tijd
1:40 minuut =
1 minuut en 40 seconden
Slide 21 - Slide
Rekenen met tijdzones
Slide 22 - Slide
Voorbeeld
Ik ga op vakantie naar Marokko. Het is in Marokko 1 uur vroeger dan in Nederland.
De vlucht duurt 3 uur en 30 minuten. Ik vertrek om 14.00 uit Nederland.
Hoe laat kom ik in Marokko aan?
Slide 23 - Slide
Stap 1
Stap 1
Reken eerst uit hoe laat je in Marokko aankomt op Nederlandse tijd.
Ik vertrek om 14.00 uit Nederland. De vlucht duurt 3 uur en 30 minuten. Op Nederlandse tijd kom ik om 17.30 aan.
Slide 24 - Slide
Stap 2
Stap 2:
Bereken de tijdzone.
In Marokko is het 1 uur vroeger dan in Nederland. Je moet dus nog een uur van de aankomsttijd afhalen.
Je komt om 16.30 uur in Marokko aan.
Slide 25 - Slide
Samengestelde eenheden eenheden eenheden
er is een verband tussen 2 eenheden
Tijd en snelheid - denk aan km per uur,
Geld en gewicht - prijs per kilo,
Slide 26 - Slide
Belangrijk bij snelheid!
1 uur = 60 minuten
1 uur = 3600 seconden
1 km = 1000 meter
Slide 27 - Slide
Slide 28 - Slide
Antwoord
Snelheid is 900 kilometer per uur.
De vraag is hoeveel kilometer het aflegt in een minuut.
Je weet al 900 kilometer per uur. Een uur heeft 60 minuten.
Afstand
900 km
=1x900:60 = 15 km
Tijd
60 min
1 min
Slide 29 - Slide
Gebruik van een verhoudingstabel
Je kunt bij snelheidsberekeningen vrijwel altijd een verhoudingstabel gebruiken;
Je fietst 9 km in 25 minuten. Wat was je snelheid in km/u?
= 1 uur!
Afstand
9 km
= 9x60:25 = 21,6 km
Tijd
25 min
60 min
Slide 30 - Slide
Uitleg
Bijvoorbeeld: je gaat naar je tante in Groningen, dat is 200 km. Hier doe je 2 uur en 15 minuten over. Wat is je gemiddelde snelheid in km/u?
dus: 96 km in 1 uur, = 96 km/uur
Afstand
200 km
= 200x60:125 = 96 km
Tijd
135 min
60
Slide 31 - Slide
Omrekenfactor snelheid
Slide 32 - Slide
Omrekenfactor snelheid
Als je de snelheid in m/sec weet, dan kun je die eenvoudig omrekenen naar km/uur.
De tabel laat zien dat een snelheid van 1 m/sec gelijk is aan 3,6 km/uur.
Slide 33 - Slide
Truus loopt 100 meter in 12 seconden.
8,3333...m/s x 3,6 = 30 km/uur!
Afstand
100 meter
= 1x100:12 = 8,3333..
Tijd
12 sec
1 sec
Slide 34 - Slide
Andere samengestelde eenheden
Snelheid, in de VS en VK miles per hour (mph) of foot per second (ft/s), zeemijl per seconde (knoop)
Brandstofgebruik van een vervoermiddel, aangegeven in aantal km per liter benzine
Prijs per gewicht, aangegeven in euro’s per aantal gram
Downloadsnelheid, aangegeven in megabit per seconde (Mb/s)
BMI (Body Mass Index), aangegeven als gewicht (kg), gedeeld door lichaamslengte (meter) in het kwadraat
Bevolkingsdichtheid, aangegeven in aantal mensen per vierkante kilometer
Dikte van papier, aangegeven in gewicht per vierkante meter (80 grams papier = 80 g/m2)
Slide 35 - Slide
Energie
Minder voorkomende maten of eenheden zijn de grootheden en eenheden voor energie.
De hoeveelheid energie geef je weer in calorie, kilocalorie of kilojoule.
Een kcal is gelijk aan 4,18 kJ.
Slide 36 - Slide
Digitaal geheugen
1 kilobyte (kB) = 1000 byte
1 megabyte (MB) = 1000 kilobyte
1 gigabyte (GB) = 1000 megabyte
1 terabyte (TB) = 1000 gigabyte
(1 petabyte (PB) = 1000 terabyte)
Maak een trappetje: B - KB - MB - GB - TB (- PB)
Slide 37 - Slide
VUISTREGELS
Slide 38 - Slide
Woordformules
Met een woordformule leg je in woorden uit hoe je iets kunt uitrekenen.
Bijvoorbeeld
Prijs = € .. x (aantal personen) + € 128,-
Vaak een variabel deel en een vast deel (starthoeveelheid)