Adjectives and adverbs

ADJECTIVES + ADVERBS
1 / 13
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

This lesson contains 13 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 10 min

Items in this lesson

ADJECTIVES + ADVERBS

Slide 1 - Slide

Adjectives = bijv nw
Een bijvoeglijk naamwoord gebruik je om iets of iemand 
te omschrijven. Een bijvoeglijk naamwoord wordt vaak gevolgd door een zelfstandig naamwoord.

That is an amazing girl.
We all love that funny movie.
I think he is a terrible teacher.


Slide 2 - Slide

Adverb = bijwoord
Een bijwoord gebruik je om aan te geven HOE iemand iets doet. Een bijwoord omschrijft vaak een werkwoord, maar ook een ander bijwoord, een bijvoeglijk naamwoord of de hele zin.
                                                                                    Mary sings wonderfully.
                                                     My grandparents talk incredibly loudly.
                            I am eating an amazingly delicious steak right now.
                                                         Hopefully, she will call me back later.


Slide 3 - Slide

Hoe maak je een bijwoord?
Bijvoeglijk naamwoord + LY
IC - ALLY
(fantastic - fantastically)
Y - ILY
funny - funnily

Slide 4 - Slide

Uitzonderingen:


good - well
quite - quite
fast - fast
hard - hard
long - long

Slide 5 - Slide

Uitzonderingen:


to be, to seem
to look, to sound, to taste, to feel, to smell

Krijgen adjective ipb adverb

Slide 6 - Slide

DUS...

Ron is a careful driver.

Ron drives carefully.

Slide 7 - Slide

Wow, Justin sings ___!
I absolutely love him. (fantastic)

Slide 8 - Open question

Luigi looked at me ______
(unhappy).

Slide 9 - Open question

I ran out of the school ___ (angry).

Slide 10 - Open question

John often feels
treated ____. ( unfair )

Slide 11 - Open question

Troy plays rugby very ____. (good)

Slide 12 - Open question

Beyoncé was dancing _____ (UNSTEADY) near the edge of the stage.

Slide 13 - Open question