laatste les droogstand en jongveeopfok

1 / 45
next
Slide 1: Slide
DierverzorgingMBOStudiejaar 2

This lesson contains 45 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Slide

Slide 30 - Slide

Slide 31 - Slide

Wat is de belangrijkste factor die de kwaliteit van biest bepaald?
A
Kleur van de biest
B
Het vetgehalte
C
Concentratie immunoglobulinen
D
Temperatuur van de koe

Slide 32 - Quiz

Hoe snel na de geboorte moet een kalf biest krijgen voor de beste opname van antistoffen?
A
Binnen 1 uur
B
Binnen 6 uur
C
Binnen 12 uur
D
Binnen 24 uur

Slide 33 - Quiz

Welke brix waarde moet goede biest minimaal hebben?
A
10
B
15
C
22
D
30

Slide 34 - Quiz

Hoe moet biest opgewarmd worden na het invriezen?
A
In de magnetron
B
In de oven
C
Lang laten staan op kamertemperatuur
D
Au-bain marie (in warm water)

Slide 35 - Quiz

Wat is het gewicht van een pasgeboren nuchter kalf?
A
20 kilo
B
30 kilo
C
40 kilo
D
50 kilo

Slide 36 - Quiz

Biestkwaliteit wordt bepaald door 5 V's, welke hoort er niet bij?
A
Veel
B
Vet
C
Vlug
D
Verrijkt

Slide 37 - Quiz

Waar vind de melkvertering van het kalf plaats?
A
Pens
B
Boekmaag
C
Lebmaag
D
Dunne darm

Slide 38 - Quiz

Een koe heeft een tekort aan calcium, wat kan er mogelijk aan de hand zijn?
A
Melkziekte/kalfziekte
B
Diarree
C
Longontsteking
D
Slechte klauwen

Slide 39 - Quiz

Waarom is het belangrijk om een koe ene goed droogstandsrantsoen te voeren?
A
Om voeropname te verminderen
B
Om de melkproductie in de volgende lactatie te verhogen
C
Om de koe minder energie te laten verbruiken
D
Om stress bij de veehouder te voorkomen

Slide 40 - Quiz

Wat is belangrijk in het droogstand rantsoen?
A
Hoog calciumgehalte
B
Veel krachtvoer en weinig ruwvoer
C
Rijk aan zetmeel en suiker
D
Laag in energie en hoog in vezels

Slide 41 - Quiz

Een kalf heeft diarree, voelt koud, aan hoge koorts en dunne lichte mest. Wat speelt hier?
A
Voedingsdiarree
B
Crypto
C
Cocciodose
D
E-coli

Slide 42 - Quiz

Wat kan een veehouder doen om wormenbesmetting bij het jongvee te verminderen?
A
Vaccineren
B
Veel maaien en omweiden
C
Al jong laten besmetten
D
Zorgen voor zo min mogelijk natte plekken in het land

Slide 43 - Quiz

Slide 44 - Slide

Slide 45 - Slide