Examentraining BKPM Les 1

Examentraining BKPM les 1
1 / 40
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 4

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Examentraining BKPM les 1

Slide 1 - Slide

Examentraining

Slide 2 - Slide

Inhalt
-Einleitung
-Opbouw van een tekst
-Soorten teksten
-Vraagsoorten deel 1
-Signaalwoorden herhalen

Slide 3 - Slide

Einleitung
* Het eindexamen Duits bestaat uit teksten met verschillende soorten vragen. 

* Voordat je een examenvraag gaat maken, is het belangrijk dat je weet waar de tekst over gaat. Je leest de tekst daarom eerst oriënterend. 

* Je leest de titel, de tussenkopjes, de vetgedrukte/schuingedrukte/onderstreepte tekstdelen, kijkt naar de afbeeldingen, naar wat voor tekstsoort het is en naar andere dingen die opvallen. 

* Zo krijg je een eerste indruk van de tekst en kom je erachter waar de tekst over gaat. 

* Bedenk ook altijd wat je zelf al van het onderwerp weet. Zo activeer je je voorkennis. En dat helpt je bij het beantwoorden van de vragen. Je weet dan immers al een beetje wat je kunt verwachten bij de tekst.




Slide 4 - Slide

De opbouw van de tekst

Slide 5 - Slide

De opbouw van de tekst 
titel
inleiding
alinea
bron
plaatje

Slide 6 - Drag question

Waarom is het belangrijk om eerst naar de opbouw van de tekst te KIJKEN? (nog niet lezen dus)

Slide 7 - Open question

Soorten teksten

Slide 8 - Slide

korte tekst
lange tekst
scantekst
gatentekst

Slide 9 - Drag question

Waarom is het belangrijk eerst te kijken om wat voor soort tekst het gaat?

Slide 10 - Open question

Wist je dat...
Een foto bij de tekst kan aangeven of er positief of negatief over een onderwerp wordt geschreven? Als je bij een tekst bijvoorbeeld een foto ziet van een lachende persoon, dan weet je dat de tekst positief is over het onderwerp.

Slide 11 - Slide

De Combinatievraag
Eén van de vraagsoorten op een examen is de combinatievraag. Hierbij moet je dingen met elkaar combineren. Je moet bijvoorbeeld tussenkopjes of beschrijvingen met de juiste alinea matchen. 

Slide 12 - Slide

Strategien: Combinatievraag
Algemeen:
oriënterend lezen
voorkennis activeren
globaal lezen
woordenboek gebruiken

Specifiek:
  • woorden uit de omschrijving/titel lezen en in de alinea zoeken
  • antwoord controleren door de titel in een vraag te veranderen
  • eerste en/of laatste zin van de alinea nauwkeurig lezen
  • belangrijkste woorden en/of zinnen markeren









Slide 13 - Slide

Voorbeeld: Combinatievraag

Slide 14 - Slide

Wist je dat ...
Het handig is om altijd markeerstiften bij het maken van een tekst te hebben? Dan kun je namelijk bij globaal lezen woorden of zinnen markeren waarin volgens jou het antwoord moet staan, en zie je makkelijk welke stukjes je nog eens nauwkeurig moet lezen om het antwoord te vinden.

Slide 15 - Slide

De Kort-antwoordvraag
Bij een kort-antwoordvraag worden er geen keuzemogelijkheden voor de antwoorden gegeven. Dit soort vragen worden altijd in het Nederlands gesteld en je moet ze bijna altijd ook in het Nederlands beantwoorden. Soms wordt er gevraagd een paar woorden uit de tekst over te schrijven. Dit doe je natuurlijk wel in het Duits.

Bij kort-antwoordvragen wordt er vaak gevraagd naar een alineanummer of aantal, of je moet een woord of tekstgedeelte citeren zonder dit verder uit te leggen. Je hoeft dus niet echt zelf een antwoord te formuleren.


Omdat er gericht gevraagd wordt naar bepaalde, concrete informatie, hoef je meestal niet de hele tekst te lezen en te begrijpen, maar doorzoek je de tekst op bepaalde woorden. Dit gericht lezen heet scannen. 




Slide 16 - Slide

Strategien: Kort-antwoordvraag
Algemeen:
oriënterend lezen
voorkennis activeren
globaal lezen
scannend lezen
woordenboek gebruiken


Specifiek:
  • woorden uit de vraag opzoeken
  • vetgedrukte woorden in de vraag als aanwijzing gebruiken
  • antwoordaanwijzingen achteraf checken (precies dat antwoorden wat er gevraagd wordt)
  • belangrijkste woorden en/of zinnen markeren










Slide 17 - Slide

Voorbeeld: Kort-antwoordvraag

Slide 18 - Slide

De Samenvattingsvraag
De opdrachten bij examenteksten bestaan voor een groot deel uit meerkeuzevragen. Er zijn verschillende soorten meerkeuzevragen. Bijvoorbeeld de samenvattingsvraag. Voorbeelden van vragen zijn;  de juiste titel kiezen of de kern van de alinea geven. Deze vragen worden meestal in het Duits gesteld.

De leesmanier die bij dit soort vragen hoort is globaal lezen. Het gaat erom dat je de grote lijnen van de alinea snapt en de belangrijkste informatie eruit weet te halen. De belangrijkste informatie in een alinea staat vaak in de eerste en/of de laatste zinnen. De belangrijkste informatie lees je vervolgens nauwkeurig, zodat je precies weet wat er staat.



Slide 19 - Slide

Strategieën: Samenvattingsvraag
Algemeen:
oriënterend lezen
voorkennis activeren
globaal lezen
scannend lezen
woordenboek gebruiken


Specifiek:
  • woorden uit de alinea in de titel herkennen
  • antwoorden controleren door de titel in een vraag te veranderen
  • eerste en/of laatste zin van de alinea lezen
  • belangrijkste zinnen markeren
  • de belangrijkste zinnen nauwkeurig lezen











Slide 20 - Slide

Voorbeeld: Samenvattingsvraag

Slide 21 - Slide

Wist je dat …
Een samenvattingsvraag gemiddeld wel 10x in een examen voorkomt? Dat is 25% van je puntentotaal.

Slide 22 - Slide

De Beweringenvraag
Een beweringenvraag is een vraag waarbij je van een aantal beweringen over een alinea of tekst moet aangeven of ze wel of niet juist zijn. De vraag wordt vaak gesteld bij een korte tekst.


Lees de hele tekst of alinea waarover de vraag gaat globaal door. Ga dan per bewering op zoek naar de passage waar het antwoord staat. Lees deze passage nog eens goed en ga na of de bewering wel of niet klopt. Kruis dit aan op het antwoordblad. Doe daarna hetzelfde met de volgende bewering.





Slide 23 - Slide

Strategieën: Beweringenvraag
Algemeen:
oriënterend lezen
voorkennis activeren
globaal lezen
scannend lezen
woordenboek gebruiken


Specifiek:
  • eerst de alinea/tekst globaal lezen en zinnen over de beweringen markeren
  • de volgorde van de beweringen gebruiken
  • als er niets over een bewering staat, is hij automatisch fout
  • de woordstrategie ‘versterkende woorden’ gebruiken










Slide 24 - Slide

Voorbeeld: Beweringenvraag

Slide 25 - Slide

Wist je dat …
De punten bij een beweringenvraag niet ‘eerlijk’ verdeeld zijn? Als er vier beweringen zijn en de vraag twee punten waard is, krijg je pas bij drie goede antwoorden één punt en alleen vier goede antwoorden leveren de volle twee punten op.

Slide 26 - Slide

Wist je dat …
Je op het centraal examen gemiddeld 3 minuten per vraag de tijd hebt? Het opzoeken van een woord duurt gemiddeld al 30 seconden. Wees daarom zuinig met het gebruik van een woordenboek en leer zo veel mogelijk signaalwoorden en veelvoorkomende vragen uit je hoofd.

Slide 27 - Slide

also
damit
deshalb
auch
dagegen
sogar
ook
zelfs
zodat
daarom
dus
daarentegen

Slide 28 - Drag question

Vertaal: allerdings
A
zeker, beslist
B
inderdaad
C
dus

Slide 29 - Quiz

schließlich
A
vanzelfsprekend
B
niet alleen
C
tenslotte

Slide 30 - Quiz

klar
A
terecht
B
vanzelfsprekend
C
natuurlijk

Slide 31 - Quiz

nicht nur...sondern auch
A
niet alleen ... maar ook
B
zelfs niet ... maar toch
C
niet alleen ... dus ook

Slide 32 - Quiz

folglich
A
dus
B
zelfs
C
kortom

Slide 33 - Quiz

außerdem
A
buitengewoon
B
bovendien
C
bovenal

Slide 34 - Quiz

anscheinend
A
waarschijnlijk
B
vervolgens
C
enerzijds

Slide 35 - Quiz

das heißt
A
dat wil zeggen
B
doordag
C
dat betekent

Slide 36 - Quiz

deshalb
A
misschien
B
bovendien
C
daarom

Slide 37 - Quiz

dennoch
A
toch, echter
B
daardoor
C
omdat

Slide 38 - Quiz

trotzdem
A
hoewel
B
desondanks
C
daarom

Slide 39 - Quiz

zum Beispiel
A
bijvoorbeeld
B
tot voorbeeld
C
eveneens

Slide 40 - Quiz