4b/k woordenboek les

4b/k woordenboek les
1 / 33
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 4

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

4b/k woordenboek les

Slide 1 - Slide

Woordenboek

Slide 2 - Slide

Hoe 'lees' je een woordenboek. 
  1. Het woord dat je moet opzoeken.
  2. De uitspraak van het woord. 
  3. Het aantal woordsoorten wordt aangeven, in dit geval 2, zowel een zelfstandig naamwoord als een werkwoord.
  4. Woordsoort zoals bijvoorbeeld zelfstandig nw, werkwoord, bijvoeglijk naamwoor.
  5. Hier vul je het woord in dat je hebt opgezocht.
  6. Voorbeelden in het Engels worden schuingedrukt. 

Slide 3 - Slide

Hoe gebruik je een woordenboek? 
Tips:
  • De woorden staan op alfabetische volgorde.
  • Gebruik de gidswoorden boven aan. Deze geven het 1e woord en het laatste woord van die pagina aan en helpen je beter zoeken naar het woord. 
  • Bedenk welke vertaling het meest logisch in de zin is.
  • Zoek naar de stam van het woord: zie volgende pagina.

Slide 4 - Slide

Stam van het woord

It was extremely  cold outside.     >   stam = extreme
She loved her new phone.            >   stam = love
That is unfair.                              >   stam = fair  
They are talking  too much.          >   stam = talk
We went home after class            >   stam = go


Slide 5 - Slide

Woordenboek

  • Bekijk eerst of je de betekenis kunt raden door de andere woorden.

  • Bekijk of het woord op een ander woord lijkt.
  • Zoek het basiswoord. (slow ipv slowly, extend ipv extended)
  • Let op :Er staan vaak meerdere betekenissen. 
  • Oefen met het woordenboek dat je op je examen gaat gebruiken.

Slide 6 - Slide

Wat zijn de woorden die je zou opzoeken?
Vertel dat je momenteel aan het sparen bent voor je vakantie. Zeg dat je naar Brazilië gaat om vrijwilligerswerk te doen in een weeshuis. Samen met andere jongeren werk je mee aan een project.

Slide 7 - Slide

Zoek 'sparen' op

Slide 8 - Open question

Zoek 'weeshuis' op

Slide 9 - Open question

Zoek ' ruzie hebben 'op

Slide 10 - Open question

Zoek 'slagen voor examen' op

Slide 11 - Open question

Easily confused words
Er zijn in het Engels veel woorden die erg op elkaar lijken, maar iets totaal anders betekenen. Je kunt bijvoorbeeld teksten beter begrijpen als je het verschil tussen deze woorden kent.

Slide 12 - Slide

Do you know them? Yes, ... my friends.
A
they're
B
their
C
there

Slide 13 - Quiz

Can I borrow ... car tomorrow?
A
they're
B
their
C
there

Slide 14 - Quiz

You can put all those boxes over ...
A
they're
B
their
C
there

Slide 15 - Quiz

Easily confused words

Slide 16 - Slide

Please be ... , the movie is starting.
A
quit
B
quite
C
quiet

Slide 17 - Quiz

I think that actor is ... handsome.
A
quit
B
quite
C
quiet

Slide 18 - Quiz

Easily confused words

Slide 19 - Slide

its - it's
I think ... difficult to rollerskate.
A
its
B
it's

Slide 20 - Quiz

the dog went into its/it's crate.
A
its
B
it's

Slide 21 - Quiz

Easily confused words

Slide 22 - Slide

Your/you're never going to believe what happened.
A
your
B
you're

Slide 23 - Quiz

Can I borrow your/you're pen, please?
A
your
B
you're

Slide 24 - Quiz

Easily confused words

Slide 25 - Slide

Is the Eiffel Tower taller (than / then) the Domtoren?

A
than
B
then

Slide 26 - Quiz

Than/Then we went to school.
A
Than
B
Then

Slide 27 - Quiz

Easily confused words

Slide 28 - Slide

They ................. in the living room before, but ............ are they now?
A
were, where
B
we're/ were
C
where, were
D
were, we're

Slide 29 - Quiz

..................... going to France this year.
A
Where
B
Were
C
We're

Slide 30 - Quiz

Easily confused words

Slide 31 - Slide

two / too / to:
I'd like ... buy these cookies and I'll have those cupcakes ... .
A
to / two
B
two / to
C
two / too
D
to / too

Slide 32 - Quiz

I love going ..... the cinema with my friends ..... !
A
to two
B
too to
C
two too
D
to too

Slide 33 - Quiz