On parle du texte :Quoi: fais ex. 26a (page 70)
Ensuite: OMSCHRIJF PER ALINEA (3X)
- Benoem wat het is/waar gaat het over?
- Wat is er leuk/bijzonder aan? (les avantages) : minimaal 2!
- Wat is er minder leuk aan of spannend aan? (les inconvénients)minimaal 2!
Comment: seul
Aide: Bron F
Temps: 20 minutes
Prêt: fais ex. 27c, 28a, b, c (les devoirs)