spelling en grammatica 11 en 12 (23/5)

spelling en grammatica 11 en 12 (23/5)
1 / 26
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

spelling en grammatica 11 en 12 (23/5)

Slide 1 - Slide

10 minuten lezen

Slide 2 - Slide

Nabespreken huiswerk:

Slide 3 - Slide

Doel:
Je leert sterke werkwoorden in de verleden tijd schrijven:
zij las, ik liep, wij zwommen

Slide 4 - Slide

Sterke werkwoorden in de verleden tijd
werkwoord = ...
verleden tijd = ...

Slide 5 - Slide

Sterke werkwoorden in de verleden tijd
werkwoord = woord dat een handeling of toestand aanduidt
verleden tijd = tijd die voorbij is

Slide 6 - Slide

Sterke werkwoorden in de verleden tijd
werkwoord = woord dat een handeling of toestand aanduidt
verleden tijd = tijd die voorbij is

Iedereen geniet (=pv) van het prachtige weer.

Slide 7 - Slide

Sterke werkwoorden in de verleden tijd
werkwoord = woord dat een handeling of toestand aanduidt
verleden tijd = tijd die voorbij is

Iedereen geniet (=pv) van het prachtige weer.
Iedereen genoot (=pv) van het prachtige weer.

Slide 8 - Slide

Opdracht 2d
Hele ww
tt
vt
vt meervoud
zitten
ik zit
ik zat
wij zaten
smelten
ik smelt
ik smolt
wij smolten
drijven
ik drijf
ik dreef
wij dreven
gaan
(1)
(2)
(3)
sluipen
(4)
(5)
(6)
kiezen
(7)
(8)
(9)

Slide 9 - Slide

Opdracht 2d
Hele ww
tt
vt
vt meervoud
zitten
ik zit
ik zat
wij zaten
smelten
ik smelt
ik smolt
wij smolten
drijven
ik drijf
ik dreef
wij dreven
gaan
ik ga
ik ging
wij gingen
sluipen
ik sluip
ik sloop
wij slopen
kiezen
ik kies
ik koos
wij kozen

Slide 10 - Slide

Samen lezen:

Uitlegvideo +
Belangrijk (blz 120)
samen bespreken opdracht 1, 2 en 3

Slide 11 - Slide

Aan het (huis)werk:
spelling en grammatica, paragraaf 11 (blz 120)
opdracht 4 tot en met 9

Slide 12 - Slide

Voltooid deelwoord
Je leert voltooide deelwoorden schrijven: verteld, gelopen, beklommen

Slide 13 - Slide

Voltooid deelwoord

Slide 14 - Slide

Kijk naar de onderstaande zinnen
Ik heb brood gegeten.
Piet heeft de pop gemaakt.
Saskia heeft de fiets gemaakt.
Jan is naar Enschede gegaan.

Slide 15 - Slide

Wat weet ik al?
Als je wil vertellen dat iets al gebeurd is, dan gebruik je een voltooid deelwoord in een zin. Voltooid betekent dat iets af is.


Slide 16 - Slide

Voltooid Deelwoord
Een voltooid deelwoord geeft dus aan dat iets al is gebeurd of geweest.

Er staat altijd een vorm van hebben, worden of zijn in de zin.

Zwakke werkwoorden: -t of -d
Sterke werkwoorden: -t of -en

Slide 17 - Slide

Voltooid Deelwoord


Een voltooid deelwoord eindigt op: 
Zwakke werkwoorden: -t of -d
Sterke werkwoorden: -t of -en

Slide 18 - Slide

Wat is een voltooid deelwoord?
A
Werkwoord
B
Zelfstandig naamwoord
C
Lidwoord
D
Persoonsvorm

Slide 19 - Quiz

Slide 20 - Slide

Wat is hier het voltooid deelwoord?
Ze hebben gisterenavond samen macaroni gegeten
A
Ze
B
Hebben
C
Macaroni
D
Gegeten

Slide 21 - Quiz


ZWAK:
-Zit de laatste letter van de
stam in ’t ex-kofschip?

   ja? : Het voltooid deelwoord eindigt op t.
  nee?: Het voltooid deelwoord eindigt op d.

STERK:
-Je schrijft het woord volgens
de gewone spellingregels




Is  het een sterk of zwak werkwoord?

Slide 22 - Slide

Het voltooid deelwoord van: verdienen.
Ik heb veel geld ........

Slide 23 - Open question

Het voltooid deelwoord van: wandelen

Slide 24 - Open question

Samen lezen
Uitlegvideo +
bladzijde 124

Slide 25 - Slide

Aan het (huis)werk
spelling en grammatica, paragraaf 12 (blz 124)
Opdracht 4 tot en met 11

Slide 26 - Slide