Quiz Organen en cellen

1 / 25
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Dieren hebben cellen
A
met een celwand en met een celkern
B
met een celkern en met bladgroenkorrels
C
zonder celwand en zonder celkern
D
zonder celwand en met celkern

Slide 2 - Quiz

Hebben cellen van mensen andere kenmerken dan cellen van dieren?
A
Ja
B
Nee

Slide 3 - Quiz

Zijn cellen van mensen dierlijke cellen?
A
ja
B
nee

Slide 4 - Quiz

Wat zijn cellen?
A
Dat is je lichaam zonder je hoofd en je armen en benen.
B
Dat is het middenrif.
C
Dat zijn delen van het lichaam met een bepaalde taak.
D
De kleinste bouwstenen van je lichaam.

Slide 5 - Quiz

Bij een microscoop kijk je door het...
A
objectief
B
oculair
C
diafragma
D
tubus

Slide 6 - Quiz

Kijk je door het oculair van een microscoop?
A
ja
B
nee

Slide 7 - Quiz

Waarvoor is het oculair van een microscoop?
A
Hier kijk je doorheen
B
Hiermee stel je scherp
C
Hier pak je de microscoop vast
D
Hiermee regel je de hoeveelheid licht

Slide 8 - Quiz

Wat weet jij over chromosomen

Slide 9 - Open question

Wat zie je door de microscoop?
A
Cellen van een ui
B
Cellen van een kiwi
C
Een honingraat
D
Cellen van een bij

Slide 10 - Quiz

Als je een microscoop wil tillen, waar pak je de microscoop?
A
Bij de tubus
B
Bij het statief
C
Bij de tafel
D
Bij de revolver

Slide 11 - Quiz

Je ziet hier cellen. Welke cellen zijn dit en waar herken je dit als eerste aan?
A
bacteriecellen, celmembraan
B
dierencellen, celmembraan
C
bacteriecellen, celkern
D
dierencellen, geen celkern

Slide 12 - Quiz

Dit zijn cellen van een .....
timer
0:20
A
bacterie
B
dier
C
plant
D
schimmel

Slide 13 - Quiz

Waarvoor zijn de objectieven van de microscoop?
A
beeld vergroten
B
hoeveelheid licht regelen
C
scherp beeld
D
stevigheid

Slide 14 - Quiz

Plantaardige cellen hebben een stevigere celwand dan dierlijke cellen.
A
juist
B
onjuist

Slide 15 - Quiz

Onderdelen van cellen doe bij dierlijke cellen voor kunnen komen zijn ....
A
... celkern, celmembraan en celwand
B
.... kernplasma, celwand en cytoplasma
C
kernmembraan, celmembraan en cytoplasma
D
celmembraan, celwand en cytoplasma

Slide 16 - Quiz

Wat bekijk je onder de microscoop?
A
Cellen
B
weefsel
C
orgaan
D
Preparaat

Slide 17 - Quiz

Wat weet jij over celdeling(Mitose)

Slide 18 - Open question

Als ik begin met twee cellen heb ik na 3 keer delen ..... cellen
A
6
B
9
C
16
D
32

Slide 19 - Quiz

Een groep cellen met dezelfde bouw en dezelfde functies wordt orgaan genoemd?
A
Juist
B
Onjuist

Slide 20 - Quiz

Alle organen zijn opgebouwd uit cellen.
A
goed
B
fout

Slide 21 - Quiz

Wat staat op volgorde van groot naar klein?
A
weefsels, organen, organisme, cellen
B
organisme, organen, weefsels, cellen
C
organisme, cellen, weefsels, organen
D
organisme, weefsels, cellen, organen

Slide 22 - Quiz

Wat vervoert de voedingsstoffen naar alle organen en cellen?
A
de maag
B
het bloed
C
de darmen
D
je speeksel

Slide 23 - Quiz

Alle cellen bestaan uit organen
A
goed
B
fout

Slide 24 - Quiz

Wat weet jij over onderzoek doen?

Slide 25 - Open question