A1 les 3

les 3
1 / 25
next
Slide 1: Slide
NT2MBOStudiejaar 2

This lesson contains 25 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

les 3

Slide 1 - Slide

Lesplan
1.  Check in 
3. Zinnen + dagen van de week
4. Samen lezen
5. Nieuwe woorden
6. Werkwoorden vervoegen
7. Spreekoefening Dagelijkse Routine
8. Afsluiting: Wat wil je volgende les leren? 

Slide 2 - Slide

leerdoelen
✅ Je begint de les met een korte check-in.
✅ Je herhaalt de belangrijkste punten van de vorige les.
✅ Je oefent het gebruik van 'wie' en 'wat' en de voornaamwoorden 'ik, jij, wij' met opdrachten.
✅ Je oefent jezelf voorstellen in een eenvoudige spreekopdracht.
✅ Je telt in het Nederlands en herhaalt de cijfers.
✅ Je voert een eenvoudige dialoog in het Nederlands.
✅ Je geeft aan wat je in de volgende les wilt leren.

Slide 3 - Slide



Hoe gaat het met je?
 Check in

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

zinnen 
Ik ga naar de winkel, maar het regent.
Kom eens hier en kijk!
Ik leer Nederlands, zodat ik met mensen kan praten.
Hij is blij, want hij heeft vakantie.
Er staat een grote boom in de tuin.
Ik neem een jas mee, want het is koud.
We gaan naar het park om te wandelen.
Ik wil koffie, maar er is geen suiker.
Zij leest een boek, zodat ze beter kan leren.
Hij gaat vroeg slapen, want hij is moe.

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Link

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

oefening
1. Wie leren Nederlands?
2. Wat schrijft de docent?
3. Wat lezen de cursisten?
4. Waar schrijft de docent op?
5. Wie spreken samen Nederlands?

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Link

📚 Bibliotheek:
"Ik zie veel boeken. Mensen lezen en werken hier in stilte. Waar ben ik?"
(Antwoord: In de bibliotheek)
🛒 Supermarkt:
"Hier koop ik eten en drinken. Er zijn veel schappen met producten. Ik betaal bij de kassa of met zelfscannen. Waar ben ik?"
(Antwoord: In de supermarkt)
🚆 Station:
"Veel mensen wachten hier. Er komen en gaan treinen. Je hoort soms een stem die iets omroept. Waar ben ik?"
(Antwoord: Op het station)
🍽️ Restaurant:
"Hier kun je eten en drinken bestellen. Een ober brengt je eten. Je zit aan een tafel en kiest van een menu. Waar ben ik?"
(Antwoord: In een restaurant)
🏫 School:
"Hier zijn veel kinderen of volwassenen. Ze leren en luisteren naar een docent. Er zijn klaslokalen en een bord. Waar ben ik?"
(Antwoord: Op school)
🌳 Park:
"Hier is veel gras en bomen. Mensen wandelen, rennen of zitten op een bankje. Soms spelen kinderen hier. Waar ben ik?"
(Antwoord: In het park)
🏥 Ziekenhuis:
"Hier werken artsen en verpleegkundigen. Mensen komen hier als ze ziek zijn. Er zijn bedden en dokters dragen een witte jas. Waar ben ik?"
(Antwoord: In het ziekenhuis)
📚 Bibliotheek:
"Ik zie veel boeken. Mensen lezen en werken hier in stilte. Waar ben ik?"
🛒 Supermarkt:
"Hier koop ik eten en drinken. Er zijn veel schappen met producten. Ik betaal bij de kassa of met zelfscannen. Waar ben ik?"
🚆 Station:
"Veel mensen wachten hier. Er komen en gaan treinen. Je hoort soms een stem die iets omroept. Waar ben ik?"
🍽️ Restaurant:
"Hier kun je eten en drinken bestellen. Een ober brengt je eten. Je zit aan een tafel en kiest van een menu. Waar ben ik?"
🏫 School:
"Hier zijn veel kinderen of volwassenen. Ze leren en luisteren naar een docent. Er zijn klaslokalen en een bord. Waar ben ik?"
🌳 Park:
"Hier is veel gras en bomen. Mensen wandelen, rennen of zitten op een bankje. Soms spelen kinderen hier. Waar ben ik?"
🏥 Ziekenhuis:
"Hier werken artsen en verpleegkundigen. Mensen komen hier als ze ziek zijn. Er zijn bedden en dokters dragen een witte jas. Waar ben ik?"

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

leerdoelen
✅ Je stelt jezelf voor (naam zeggen, vragen hoe het gaat).
✅ Je telt van 1 tot 20 en gebruikt ik, jij, wij.
✅ Je noemt de dagen van de week en zegt welke dag het is.
✅ Je leest een korte tekst en begrijpt de belangrijkste woorden.
✅ Je leert nieuwe woorden en gebruikt ze in een zin.
✅ Je vervoegt werkwoorden
✅ Je vertelt over je dagelijkse routine in korte zinnen.
✅ Je zegt wat je moeilijk vindt en wat je wilt oefenen.

Slide 18 - Slide

Wat heb je geleerd?
- Wat vond je van de les?
- Wat wil je volgende week leren?

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Zijn
Ik ben 35 jaar.
Jij bent jarig.
U bent vriendelijk.
Hij is ziek.
Jullie zijn aardig.
Wij zijn getrouwd.
Zij zijn vrienden.

Slide 21 - Slide

Hebben
Ik heb honger.
Jij hebt een kat.
U hebt geen dieren.
Hij heeft een banaan.
Jullie hebben kinderen.
Wij hebben eten.
Zij hebben appels.

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Slide

Grammatica: persoonlijk voornaamwoorden
Hallo, ik wil je even spreken. Kan je mij even terugbellen?
Je/Jij bent toch thuis morgen? Ik kom morgen even bij je/jou langs.
U mag daar even gaan zitten. De dokter komt u over 10 minuten halen.
Hij heeft hulp nodig. Ik ga hem morgen even helpen.
Ze/Zij is heel vriendelijk. Ik vind haar aardig.
Het is niet zo leuk. Ik vertel het morgen aan mijn familie.
Wij hebben een nieuwe tv gekocht. De verkoper gaf ons 20% korting.
Jullie begrijpen het niet goed. Ik leg het jullie nog één keer uit.
Ze/Zij wonen in onze buurt. Ik zie hen/ze vaak samen lopen.

Slide 25 - Slide