PVTT en Verkleinwoorden

Verkleinwoord met -pje
Verkleinwoord met -tje
boom
telefoon
broer
riem
film
raam
tafel
haar
1 / 36
next
Slide 1: Drag question
NederlandsMiddelbare schoolvmbo b, k, mavoLeerjaar 1,2

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Verkleinwoord met -pje
Verkleinwoord met -tje
boom
telefoon
broer
riem
film
raam
tafel
haar

Slide 1 - Drag question

Verkleinwoord.
Wat is het verkleinwoord van "arm"?
A
Armetje
B
Armkje
C
Armje
D
Armpje

Slide 2 - Quiz



Noteer het verkleinwoord:

brug

Slide 3 - Open question



Noteer het verkleinwoord:

uur

Slide 4 - Open question



Noteer het verkleinwoord:

auto

Slide 5 - Open question



Noteer het verkleinwoord:

ketting

Slide 6 - Open question

Wat is het verkleinwoord van...
radio?

Slide 7 - Open question

Wat is het verkleinwoord van getal?

Slide 8 - Open question

Wat is het verkleinwoord van
koning

Slide 9 - Open question

1. "Stemmetje" is het verkleinwoord van "stem".
2. "Blaadje" is het verkleinwoord van "blad".
A
1 = goed 2 = fout
B
1= fout 2 = goed
C
Ze zijn allebei goed
D
Ze zijn allebei fout

Slide 10 - Quiz

Kies de juiste pvtt:

Morgen [bereiden] je een heerlijke maaltijd voor ons.
A
bereid
B
bereidt
C
bereidd
D
bereit

Slide 11 - Quiz

Kies de juiste pvtt:

Morgen [bereiden] je vader een heerlijke maaltijd voor ons.
A
bereid
B
bereidt
C
bereidd
D
bereit

Slide 12 - Quiz

Kies de juiste pvtt:

De oude man [willen] oversteken bij het zebrapad.
A
will
B
wilt
C
wil
D
willen

Slide 13 - Quiz

Kies de juiste pvtt:

Zijn zoon (begeleiden) hem daarbij.
A
begeleid
B
begelei
C
begeleit
D
begeleidt

Slide 14 - Quiz

Kies de juiste pvtt:

[beantwoorden] u mijn brief nog wel?
A
beantwoord
B
beantwoordt
C
beantwoorden
D
beantwoort

Slide 15 - Quiz

Kies de juiste pvtt:

Ik [hopen] namelijk op een snelle reactie.
A
hopen
B
hop
C
hoop
D
hoopt

Slide 16 - Quiz

Kies de juiste pvtt:

De directeur [schrijven] vast die brief niet zelf.
A
schrijvt
B
schrijven
C
schrijf
D
schrijft

Slide 17 - Quiz

Kies de juiste pvtt:

Hij [bevinden] zich in de buurt van de stad.
A
bevind
B
bevindt
C
bevint
D
bevindent

Slide 18 - Quiz

Kies de juiste pvtt:

Hij [zwerven] een beetje rond in het park.
A
zwerv
B
zwervt
C
zwerft
D
zwerf

Slide 19 - Quiz

Kies de juiste pvtt:

[Vinden] je de toets makkelijk?
A
vindt
B
vint
C
vind
D
vinde

Slide 20 - Quiz

Kies de juiste pvtt:

De meeste leerlingen [hebben] de toets goed gemaakt.
A
hebben
B
heb
C
hebbe
D
hebbe

Slide 21 - Quiz

Kies de juiste pvtt:

Als het goed is, [beoordelen] de docent de toetsen vandaag.
A
beoordeeld
B
beoordeel
C
beoordeelt
D
beoordeeldt

Slide 22 - Quiz

Kies de juiste pvtt:

Sinds lange tijd [bewaren] hij een groot geheim.
A
bewaardt
B
bewaar
C
bewaard
D
bewaart

Slide 23 - Quiz

Kies de juiste pvtt:

Een leugentje voor eigen bestwil [zijn] wat anders dan een groot geheim.
A
ben
B
zijn
C
is
D
wees

Slide 24 - Quiz

Wat is er op jou van toepassing?
A
Ik beheers dit goed.
B
Ik kan nog wat extra oefenen.
C
Ik moet de theorie nog eens doornemen.
D
Ik heb extra uitleg nodig.

Slide 25 - Quiz

Wat is de juiste persoonsvorm tegenwoordige tijd?
Ik ______________ (redden)
A
redt
B
red

Slide 26 - Quiz

Wat is de juiste persoonsvorm tegenwoordige tijd?
Zij ______________ (melden)
A
meldt
B
meld

Slide 27 - Quiz

Wat is de juiste persoonsvorm tegenwoordige tijd?
Ik ______________ (pesten)
A
pesdt
B
pest

Slide 28 - Quiz

Persoonsvorm tegenwoordige tijd
Ik (bereiden) het eten voor.
A
bereid
B
bereidt

Slide 29 - Quiz

Wat is de persoonsvormen (tegenwoordige tijd) van beleven ?

Ik . . .
A
beleeft
B
beleev
C
beleef
D
beleefd

Slide 30 - Quiz

Persoonsvorm tegenwoordige tijd:

Het vliegtuig ... (opstijgen)
A
stijgt op
B
stijgtt op

Slide 31 - Quiz

Persoonsvorm tegenwoordige tijd
De vliegtuigen ....... op tijd.
A
land
B
lande
C
landen
D
landden

Slide 32 - Quiz

Persoonsvorm tegenwoordige tijd:

De buurman (verbranden) ... zich
A
verbrandt
B
verbrand

Slide 33 - Quiz

Persoonsvorm tegenwoordige tijd:
Ik ......(geven) het terug.
A
geef
B
geeft
C
gaf

Slide 34 - Quiz

Persoonsvorm tegenwoordige tijd:

Dat (gebeuren)beslist niet!
A
gebeurt
B
gebeurd

Slide 35 - Quiz

Persoonsvorm tegenwoordige tijd:

(onthouden) ... je dat tot morgen?
A
onthoud
B
onthoudt
C
onthield
D
onthouden

Slide 36 - Quiz