This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 45 min
Items in this lesson
Adjectives
Slide 1 - Slide
Zoals je weet bestaat er in het Engels een vaste woordvolgorde: wie / doet / wat / waar / wanneer.
He - watched - a film - on television - last weekend.
Wie - doet - wat - waar - wanneer
Slide 2 - Slide
Je kunt ook een adjective (bijvoeglijk naamwoord) aan een zin toevoegen. Een adjective zegt iets over het zelfstandig naamwoord. Je zet ze dan voor het zelfstandig naamwoord.
He watched a funny film.
They bought a lovely dress.
We had a good time.
Slide 3 - Slide
Soms zet je een adjective achter het werkwoord. In dat geval geeft de adjective extra informatie over het onderwerp.
Dit kan bij werkwoorden zoals to be, look, appear en seem.
She looks amazing in my new dress.
I am curious to see that new film.
They seem focussed on their singing careers.
Slide 4 - Slide
My friends have a ... hide-out place.
This ... comedy in set in Los Angeles in 1990.
She is ...! She makes so many jokes.
The ... Harry Potter movies was the best.
romantic
first
hilarious
secret
Slide 5 - Drag question
who
does
what
where
when
my friend
yesterday
drove
her car
in town
Slide 6 - Drag question
who
does
what
where
when
when she was younger
in Hollywood
was
my mom
an actress
Slide 7 - Drag question
Put in the correct order
her bike
to school
drove
Sandra
last Saturday
Slide 8 - Drag question
Type the number where the adjective belongs: She was (1) a (2) model (3) when she was (4) younger. (beautiful)
Slide 9 - Open question
Type the number where the adjective belongs: (1) Ben is (2) baby (3). ((an) adorable)
Slide 10 - Open question
Slide 11 - Slide
Wanneer?
1. Begonnen in het verleden en nu nog steeds bezig.
I have lived in Duiven since 2012.
2. Ervaringen tot nu toe.
I have never seen a Harry Potter movie
3. Iets waar het effect nu nog zichtbaar van is.
Karl feels sick. He has eaten too much.
Slide 12 - Slide
Hoe?
Have/Has + voltooid deelwoord (3e vorm of ww+ed)
I have not studied for the test yet.
Slide 13 - Slide
Ezelsbruggetje
JUF EN SYSAR
Just, Until, For
Ever, Never
Since, Yet, So far, Already, Recently
Slide 14 - Slide
Bij welke personen gebruik je 'has'?
Slide 15 - Open question
They _________ already _________ their rucksacks. (to pack)