examenvragen oefenen

Examenvragen
1 / 33
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmbo t, mavoLeerjaar 4

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Examenvragen

Slide 1 - Slide

examenvragen oefenen
In de volgende lessonup kan je examenvragen oefenen
Snap je niet waarom je een vraag fout hebt beantwoord, klik dan de vraagteken aan.
Dan krijg je extra uitleg.

Slide 2 - Slide

Wetenschappers in Australië zoeken naar nieuwe manieren om uit te vinden of er ergens goud in de bodem zit. Ze hebben ontdekt dat
eucalyptusbomen goud uit de bodem kunnen opnemen. Dit goud is terug te vinden in de bladeren van die bomen.
Hoe komen deze gouddeeltjes vanuit de wortels in de bladeren terecht?
Houtvaten transporteren omHoog. (onder andere water en mineralen)
Bastvaten transporteren naar Beneden (onder andere glucose)

Omdat het goud uit de grond naar de bladeren wordt vervoerd, moet het door houtvaten gebeuren
A
alleen via bastvaten
B
alleen via houtvaten
C
zowel via bastvaten als via houtvaten

Slide 3 - Quiz

Van welke twee orgaanstelsels zijn delen in de buikholte getekend?
Je ziet longen: scheiden koolstofdioxide uit => uitscheidingsstelsel
Je ziet darmen => verteringsstelsel
Je ziet de lever => uitscheidingsstelsel....
Maar de longen liggen niet in de buikholte, maar in de borstholte, dus die hoort er niet bij
A
van het uitscheidingsstelsel en van het verteringsstelsel
B
van het uitscheidingsstelsel en van het voortplantingsstelsel
C
van het verteringsstelsel en van het voortplantingsstelsel

Slide 4 - Quiz

Slide 5 - Slide

De potten staan in het licht. Regelmatig wordt de hoeveelheid zuurstof in het
water gemeten. De resultaten zijn weergegeven in onderstaand diagram.
Lijn P geeft de resultaten van de metingen in een van de potten weer.
Wat is de letter van de pot die bij lijn P hoort?
Planten maken zuurstof als er licht is. 
Een alg is een eencellige plant. Dus de pot met algen maakt zuurstof aan.
Bacteriën en pantoffeldiertjes gebruiken juist zuurstof
A
letter R
B
letter S
C
letter T

Slide 6 - Quiz

De celbouw van de verschillende soorten micro-organismen wordt met elkaar vergeleken.
Welke organismen hebben een celkern?
Dit is leerwerk!!
Alleen bacteriën hebben geen celkern.
A
alleen de algen en de bacteriën
B
alleen de algen en de pantoffeldiertjes
C
alleen de bacteriën en de pantoffeldiertjes
D
zowel de algen, de bacteriën als de pantoffeldiertjes

Slide 7 - Quiz

varkensstress
Het vervoeren van varkens levert voor deze dieren veel stress op. Er stroomt in een situatie met stress meer bloed naar de spieren en minder naar de darmen. 
Men vermoedt dat hierdoor de kans groter wordt dat Salmonellabacteriën in het verteringskanaal van het varken via de darmwand in het bloed terechtkomen. 
Met het bloed komen de bacteriën in de spieren. Die spieren kunnen dan als besmet vlees door mensen gegeten worden. 

Slide 8 - Slide

Bij een onderzoek laat men een aantal varkens aan fitness doen. De
onderzoekers vermoeden dat bij getrainde varkens de kans kleiner is dat
Salmonellabacteriën door de darmwand heen in het bloed terechtkomen.
Maak een werkplan voor een onderzoek waarmee dit nagegaan kan worden.
Een werkplan maak je altijd op dezelfde manier
1 Maak 2 groepen (groot)
2 laat de ene groep het wel doen, de andere niet
3 controleer en vergelijk

Slide 9 - Open question

Bij inspanning neemt de verbranding in het lichaam toe.
Het schema hieronder stelt de verbranding voor.
zuurstof + brandstof => energie + ……P…… + ……Q……..
Wat moet bij P en bij Q ingevuld worden om het schema volledig te maken?
Schrijf op: P=...... en Q=
Dit is leerwerk
De fotosynthese en de verbranding moet je kunnen dromen!!
Verbranding:
glucose + zuurstof => koolstofdioxide + water + energie

Slide 10 - Open question

Bij inspanning wordt meer bloed met zuurstof naar de spieren gevoerd.
Hoe heten de bloeddeeltjes die zuurstof vervoeren?
In je lichaam wordt alles vervoerd door je bloed.
Dus het moet een bloeddeeltje zijn:
witte bloedcellen zijn voor je afweer (ziekteverwekkers doden)
bloedplaatjes zijn er voor bloedstolling (wondjes dichtmaken)
rode bloedcellen zijn er om zuurstof te vervoeren

Slide 11 - Open question

In de spieren is een voorraad brandstof opgeslagen, die bij inspanning kan worden gebruikt.
In welke vorm is brandstof in spieren opgeslagen?
De mens kan geen zetmeel opslaan
Glucose is goed oplosbaar, dus is opgelost in het bloed (en dus niet opgeslagen)
Glycogeen (=dierlijk zetmeel) kan wel door dieren worden opgeslagen
A
in de vorm van glucose
B
in de vorm van glycogeen
C
in de vorm van zetmeel

Slide 12 - Quiz

Welke letter in de afbeelding geeft de organen aan waarvan de bloedtoevoer in
percentages het meest afneemt bij inspanning? 
Dit is niet iets dat je uit je hoofd kunt leren: je moet de gegevens uit het plaatje kunnen aflezen. 
Je vergelijkt hierbij de bloedtoevoer rust (onder ) met bloedtoevoer inspanning (boven). 
Afnemen betekent minder worden: bij de darmen gaat het van 30% naar 5%. Dat is 25% minder. De andere hebben niet zo'n groot verschil
Letter P
Letter Q
Letter R
Letter U
Letter T
Letter S

Slide 13 - Drag question

Iemand neemt een medicijn in. Stoffen uit het medicijn worden in het bloed opgenomen en komen uiteindelijk ook in de cellen van een ziek orgaan terecht. In onderstaande afbeelding is schematisch weergegeven welke weg deze stoffen afleggen vanuit een haarvat naar zo’n cel. De stoffen passeren op hun weg de plaats die in de afbeelding is aangegeven met de letter P.
Wat bevindt zich op plaats P?
Bloed zit in bloedvaten
Weefselvocht zit tussen de cellen
Lymfe zit in lymfevaten

In dit geval is plaat P tussen de cellen dus weefselvocht
A
bloed
B
lymfe
C
weefselvloeistof

Slide 14 - Quiz

Sommige medicijnen worden door een injectie, bijvoorbeeld in de arm,
rechtstreeks in het bloed gebracht. De stoffen uit dit medicijn passeren dan niet eerst de lever, voordat ze verder door het lichaam gevoerd worden. Leg uit wat het voordeel is dat stoffen uit een medicijn niet eerst de lever passeren.
Wat is de functie van de lever?
Gifstoffen afbreken.
Medicijnen zijn lichaamsvreemd: dus de lever wil ze afbreken.
Als het via de maag het lichaam binnenkomt, gaat het bloed mét de medicijnen via de poortader naar de lever...

Slide 15 - Open question

Slide 16 - Slide

In de afbeelding hiernaast is het
verteringskanaal weergegeven.
Welke letter geeft de plaats aan waar
het middel volgens de bijsluiter wordt
afgebroken als het medicijn wordt stuk
gekauwd?
De enige plaats waar zuur bij het voedsel komt is in de maag: maagsap is heel erg zuur.
A
letter Q
B
letter R
C
letter S
D
letter T

Slide 17 - Quiz

Een patiënt met hartklachten legt een tabletje onder de tong. De stoffen uit het tabletje worden daar snel in het bloed opgenomen en onder andere naar de hartspier gevoerd. In de afbeelding is het hart weergegeven. Letter P geeft een bloedvat aan waardoor bloed met opgeloste stoffen naar het hartspierweefsel wordt gevoerd. Geef de naam van bloedvat P.

Slide 18 - Open question

Slide 19 - Slide

In voorgaande afbeelding is aangegeven, dat een medicijn rectaal of vaginaal toegediend kan worden. Hiernaast is een deel van het onderlichaam van een vrouw weergegeven. Welke letter geeft de plaats aan waar een medicijn rectaal wordt toegediend? Leg je antwoord uit.
Op het plaatje op de vorige slide staat, dat rectaal betekent: via de anus.

Slide 20 - Open question

In de afbeelding hieronder staan tekeningen van drie soorten weefsel weergegeven.
Welke tekening geeft het weefsel weer waarin het medicijn als eerste terechtkomt als het intramusculair wordt toegediend?
Plaatje R is zenuwweefsel
Plaatje S is kraakbeenweefsel
Plaatje T is spierweefsel

Intramusculair is in spieren dus antwoord C
A
tekening R
B
tekening S
C
tekening T

Slide 21 - Quiz

In de nieren worden verschillende stoffen uit het bloed verwijderd en met de urine uitgescheiden.Hiernaast wordt onder andere een nier weergegeven.
Welke letter geeft een plaats aan waar urine stroomt?
P is een slagader
Q is een ader
R is de urineleider, die brengt urine van de nier naar de blaas
A
letter P
B
letter Q
C
letter R

Slide 22 - Quiz

Met één nier kan men leven. Wanneer beide nieren niet goed werken, wordt
soms een niertransplantatie uitgevoerd. In het lichaam van een nierpatiënt wordt dan een gezonde nier geplaatst van iemand anders, de donor.
Lichaamsvreemde stoffen in de donornier kunnen na zo’n transplantatie een
afstotingsreactie in het lichaam van de ontvanger veroorzaken.
Waaruit bestaat zo’n afstotingsreactie?
A
rode bloedcellen maken antigenen
B
rode bloedcellen maken antistoffen
C
witte bloedcellen maken antigenen
D
witte bloedcellen maken antistoffen

Slide 23 - Quiz

Achtergrondinformatie voor de volgende vraag

Slide 24 - Slide

Anne is nierpatiënt. Haar man Joris biedt zich als nierdonor voor Anne aan.
De weefseltypen van beiden komen voldoende overeen. Anne heeft
bloedgroep B en Joris heeft bloedgroep A.
Gelet op de bloedgroepen is Joris geen geschikte donor voor Anne.
Wat is hiervoor de reden?
Het bloed van Anne vecht tegen wat het niet heeft. Het heeft alleen B dus maakt het antistoffen tegen A.
Dit betekent dat het vecht tegen het bloed van haar man, want dat heeft A. Dus kan de nier niet gebruikt worden
A
Het bloed van Anne bevat anti-A.
B
Het bloed van Anne bevat anti-B.
C
Het bloed van Anne bevat antigeen A
D
Het bloed van Anne bevat antigeen B.

Slide 25 - Quiz

Slide 26 - Slide

Als gelet wordt op de weefseltypen komen drie paren voor een ruiltransplantatie met Joris en Anne in aanmerking. In de tabel hiernaast staan de bloedgroepen van deze drie paren vermeld.

Als gelet wordt op de bloedgroepen, welk paar is dan geschikt om met Joris en Anne een ruiltransplantatie te ondergaan?
Anne heeft bloedgroep B. Ze zoekt dus een donor met bloedgroep B
Joris heeft bloedgroep A. Hij kan zijn nier schenken aan een patiënt met bloedgroep A
A
paar 1
B
paar 2
C
paar 3

Slide 27 - Quiz

Slide 28 - Slide

Welke letter geeft de glazen kolf aan die gebruikt moet worden om de proefopstelling compleet te maken?
Om met een practicum iets aan te tonen, mag er maar 1 ding verschillen, de rest moet precies hetzelfde zijn.
In dit practicum willen ze onderzoeken of er wel of geen zuurstof nodig is voor het ontkiemen van zaden. Dus het enige verschil mag zijn: wel of geen zuurstof. De rest moet hetzelfde zijn
A
letter P
B
letter Q
C
letter R

Slide 29 - Quiz

Wat is een mutatie

Slide 30 - Open question

Peter is heterozygoot voor het FH-gen. Hana heeft de ziekte niet en is
homozygoot recessief.
Hoe groot is de kans dat een kind van Peter en Hana de ziekte FH krijgt?

Peter is heterozygoot, dus Aa
Hanna is homozygoot recessief, dus aa
Als je dan een kruisingsschema maakt, kan er 50% Aa en 50% aa ontstaan

0%
100%
75%
50%
25%

Slide 31 - Drag question

Slide 32 - Slide

In de tekst hiervoor wordt een aantal organen genoemd. In de afbeelding is onder andere het voortplantingsstelsel van de man weergegeven.
Welke letter geeft een bijbal aan? En welke letter geeft de prostaat aan?

Slide 33 - Open question