Verdienen & Uitgeven (5e) H3. De structuur

Actualiteit
Oorlog in Iran kan energierekening gaan raken nu gasvoorraad erg laag is







Burgerschap
Conflicthantering en Communicatie
Democratie en Participatie
1 / 46
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 46 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Actualiteit
Oorlog in Iran kan energierekening gaan raken nu gasvoorraad erg laag is







Burgerschap
Conflicthantering en Communicatie
Democratie en Participatie

Slide 1 - Slide

Verdienen & Uitgeven
1. Inkomen verdienen
  • toegevoegde waarde
  • productiefactoren: natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap
  • bruto binnenlands product (bbp) = bruto binnenlands inkomen
2. De economische kringloop
  • geldstromen tussen gezinnen, bedrijven, overheid, banken en buitenland
3. De structuur
  • groeifactoren en productiefactoren: natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap
4. Goede tijden, slechte tijden
  • hoogconjunctuur en laagconjunctuur (recessie of zelfs depressie)

Slide 2 - Slide

Week 10 (vanaf 2 maart) 
Hoofdstuk 3. De structuur
  • terugblik vorige les (de economische kringloop)
  • klassikaal bespreken opdracht 2.6, 2.7 en 2.9
  • leerdoelen
  • instructie (productiefactor arbeid)
  • weektaak: 3.1 t/m 3.6, 3.7 t/m 3.12, 3.13 t/m 3.16 en 3.17 t/m 3.21

Slide 3 - Slide

Terugblik (economische kringloop)
W =
Y =
C =
B =
S =
I =
O =
E =
M =
  • Binnenlands Product
  • Nationaal Inkomen
  • Consumptie (consumptiegoederen)
  • Belastingen
  • Sparen
  • Investeringen (kapitaalgoederen)
  • Overheidsbestedingen
  • Export
  • Import

Slide 4 - Slide

Terugblik (economische kringloop)









saldo buitenland = saldo lopende rekening betalingsbalans
Y = 
Y = 
- particulier spaarsaldo =
- overheidssaldo =
- nationaal spaarsaldo =
- saldo buitenland =
- saldo totalen =

  • C + B + S                 (BBI = bestedingen van gezinnen = BBP)
  • C + I + O + E - M    (BBI = bestedingen aan bedrijven = BBP)
  • S - I
  • B - O
  • (S - I) + (B-O)
  • E - M
  • (S - I) + (B - O) = (E - M)

Slide 5 - Slide

Opgave 2.6
a. Bereken welk bedrag de bedrijven en overheid samen aan de gezinnen betalen in de vorm van loon, rente, huur, pacht en winst.
  • Y = Ybedr + Yo = 460 + 40 = 500

b. Toon met een berekening aan dat je de uitgaven van gezinnen weer kunt geven als: 
Y = C + B + S
  • 500 = 250 + 100 + 150

c. Leg uit wat de geldstroom van banken naar bedrijven (I = 120) voorstelt.
  • de banken lenen bedrijven € 120 miljard ter financiering van de investeringen

Slide 6 - Slide

Opgave 2.6
d. Welke sectoren kopen goederen en diensten bij bedrijven?
  • Gezinnen (C), Overheid (Com + Io) en Buitenland (E)

e. Toon met behulp van getallen in de figuur aan dat geldt:
Y = C + I + O + E - M
  • constateer dat O = Cop + Com + Io
  • 500 = 250 + 120 + (70 + 40) + 160 - 140

f. Heeft de overheid een tekort of een overschot?
  • constateer dat O = Cop + Com + Io
  • O - B = (70 + 40) - 100 = 10 overheidstekort (overheidsuitgaven > belastingontvangsten)

Slide 7 - Slide

Opgave 2.6
g. Bereken welke bedrag buitenlandse bedrijven bij Nederland moeten lenen.
  • E - M = (160 - 140) = 20 exportoverschot, dus het buitenland heeft een tekort en moet dus 20 miljard lenen

h. Laat zien dat geldt: S = I + (O- B) + (E - M)
  • 150 = 120 + (110 - 100) + (160 - 140)
  • (S - I) + (B - O) = (E - M)
  • - I naar de andere kant: S + (B - O) = I  + (E - M)
  • (B - O) naar de andere kant S = I + (O - B) + (E - M)

Slide 8 - Slide

Opgave 2.7





a. Toon aan dat het land een nationaal spaartekort heeft door het binnenlands product te vergelijken met de nationale bestedingen, b. bepaal het importoverschot en c. leg uit dat het nationaal spaartekort samengaat met het importoverschot.
  • binnenlands product = W  = € 500 miljard
  • nationale bestedingen (exclusief buitenland!) = C + I  + O = € 250 + € 110 + € 150 = € 510 mld
  • nationaal spaartekort = € 500 - € 510 = - € 10 miljard = (E - M) = € 90 - € 100 = (S - I) + (B - O)
  • W = Y
  • C
  • I
  • O
  • E
  • M
Van een land is het volgende gegeven:
 - binnenlands product € 500 miljard
 - consumptie € 250 miljard
 - investeringen van bedrijven € 110 miljard
 - overheidsbestedingen € 150 miljard
 - export € 90 miljard
 - import € 100 miljard

Slide 9 - Slide

BBP / BBI berekenen
(ambtenarensalarissen)
+ afschrijvingen

Slide 10 - Slide

Opgave 2.9
De gegevens in tabel 2.1 hebben betrekking op een land in 2021.
De bedragen zijn in miljarden euro's.
Bepaal de hoogte van het BPP op 3 verschillende manieren.

1. Bestedingen
  • BBP = C + I + O + E - M  = 341 + 160 + 188 + 653 - 568 = 774 miljard
2. Primaire inkomens
  • BPP = loon + winst + rente + huur + pacht = 583 + 191 = 774 miljard
3. Toegevoegde waarde 
  • BPP = omzet - onderlinge leveringen + overheidsproductie = 1.332 - 643 + 85 = 774 miljard

Slide 11 - Slide

Leerdoelen H3. De structuur
  • Ik kan de begrippen op pagina 38 omschrijven (zie ook LWEO). 
  • Ik kan uitleggen hoe de verschillende productiefactoren de productie kunnen beïnvloeden.
  • Ik kan uitleggen wat de invloed is van de productiefactoren op de hoogte van het BBP.
  • Ik kan uitleggen hoe zowel de aanbod- als vraagfactoren het BBP beïnvloeden.
  • Ik kan uitleggen dat menselijk kapitaal en technologische vooruitgang van steeds groter economisch belang zijn.
  • Ik kan uitleggen door welke factoren de arbeidsproductiviteit bepaald wordt.
  • Ik kan aangeven welke factoren de grootte van de beroepsbevolking bepalen.








































Slide 12 - Slide

Bruto Binnenlands Product (BBP)
De hoogte van het BBP wordt bepaald door 2 factoren:
  1. de productiecapaciteit (= aanbodzijde = structuur) bestaat uit de maximale productie van alle productiefactoren in een land (hoofdstuk 3)
  2. de bestedingen (= vraagzijde = conjunctuur) komen van de 4 sectoren in de economische kringloop (hoofdstuk 4):
        consumenten, bedrijven, overheid en buitenland
        Y = C + I + O + (E - M)



Slide 13 - Slide

Bruto Binnenlands Product (BBP)

Slide 14 - Slide

Productiecapaciteit (structuur)
De grootte van de productiecapaciteit (structuur)
wordt bepaald door de kwantiteit (omvang)
en de kwaliteit van de productiefactoren (KANO):
  1. Kapitaal
  2. Arbeid
  3. Natuur
  4. Ondernemerschap



Slide 15 - Slide

1. De productiefactor Arbeid

De omvang (kwantiteit) van de productiefactor Arbeid wordt bepaald door:
  1. de omvang van de bevolking (zoals geboortes, immigratie en emigratie)
  2. de samenstelling van de bevolking (zoals vergrijzing)
  3. de participatiegraad (zoals deeltijd en kinderopvang)
  4. de wetgeving (zoals leerplichtleeftijd en pensioenleeftijd)



De arbeidsproductiviteit (kwaliteit) wordt bepaald door:
  1. de mate van scholing
  2. de efficiëntie (doelmatigheid) van de organisatie
  3. de mate van mechanisering, automatisering en digitalisering
  4. de arbeidsmentaliteit


Slide 16 - Slide

Beroepsbevolking

Slide 17 - Slide

Arbeidsproductiviteit
De productiefactor arbeid wordt voornamelijk bepaald door de arbeidsproductiviteit: hoeveel ik produceer binnen een bepaalde tijd.
  • productiekosten lager (loonkosten per uur verdelen over meer producten) => prijzen lager
  • betere internationale concurrentiepositie => meer export
  • economische groei!

Slide 18 - Slide

Loonkosten per product

Slide 19 - Slide

Oefening
  • wat: opdracht 3.2 (pagina 29)
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: 5 minuten
  • uitkomst: a t/m e
  • klaar: ga verder met je weektaak opdracht 3.1 t/m 3.6
timer
5:00

Slide 20 - Slide

Opdracht 3.2 (pagina 29)

Slide 21 - Slide

Loonkosten per product
Als de arbeidsproductiviteit stijgt, en de totale loonkosten van de werknemer blijven gelijk, dan zullen de loonkosten per product...
  • dalen, we kunnen de loonkosten immers over meer producten verdelen 

Als de arbeidsproductiviteit daalt, en de totale loonkosten van de werknemer blijven gelijk, dan zullen de loonkosten per product...
  • stijgen, we kunnen de loonkosten immers over minder producten verdelen

Als de arbeidsproductiviteit 5% stijgt, en de totale loonkosten van de werknemer stijgen met 7%, dan zullen de loonkosten per product...
  • stijgen, de arbeidsproductiviteit stijgt immers minder hard dan de totale loonkosten

Slide 22 - Slide

Loonkosten per product
Als de arbeidsproductiviteit en de totale loonkosten veranderen, hoeveel procent veranderen de loonkosten per product dan?





Procentuele verandering: omzetten naar indexcijfers!
loonkostenperproduct=arbeidsproductiviteitloonkostenperwerknemer×100
indexcijferloonkostenperproduct=indexcijferarbeidsproductiviteitindexcijferloonkostenperwerknemer×100

Slide 23 - Slide

Loonkosten per product
Vanuit CAO is besloten de lonen te verhogen met 4%. De arbeids-productiviteit stijgt tegelijkertijd met 3%. Met hoeveel procent zijn de loonkosten per product gestegen?


  • indexcijfer loonkosten per product = 104 / 103 𝑥 100 = 100,97
  • loonkosten per product stijgen met 0,97%
  • sommige ondernemingen zullen nu de verkoopprijzen verhogen
indexcijferloonkostenperproduct=indexcijferarbeidsproductiviteitindexcijferloonkostenperwerknemer×100
timer
2:00

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Slide

Les en weektaak

  • wat: opdracht 3.3 en 3.4 (pagina 29) in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met je weektaak opdracht 3.1 t/m 3.6

Slide 26 - Slide

Week 11 (vanaf 9 maart) 
Hoofdstuk 3. De structuur
  • herhaling vorige les (productiefactor arbeid)
  • klassikaal bespreken opdracht 3.4
  • leerdoelen
  • instructie (productiefactoren kapitaal, natuur en ondernemerschap)
  • quizje
  • voorbereiden SO Verdienen & Uitgeven H1+2
  • weektaak: 3.1 t/m 3.6, 3.7 t/m 3.12, 3.13 t/m 3.16 en 3.17 t/m 3.21

Slide 27 - Slide

Terugblik (BBP structuur / conjunctuur)

Slide 28 - Slide

Productiecapaciteit (structuur)
De grootte van de productiecapaciteit (structuur)
wordt bepaald door de kwantiteit (omvang)
en de kwaliteit van de productiefactoren (KANO):
  1. Kapitaal
  2. Arbeid
  3. Natuur
  4. Ondernemerschap



Slide 29 - Slide

Loonkosten per product

Slide 30 - Slide

Loonkosten per product
Als de arbeidsproductiviteit en de totale loonkosten veranderen, hoeveel procent veranderen de loonkosten per product dan?





Procentuele verandering: omzetten naar indexcijfers!
loonkostenperproduct=arbeidsproductiviteitloonkostenperwerknemer×100
indexcijferloonkostenperproduct=indexcijferarbeidsproductiviteitindexcijferloonkostenperwerknemer×100

Slide 31 - Slide

Loonkosten per product
Vanuit CAO is besloten de lonen te verhogen met 4%. De arbeids-productiviteit stijgt tegelijkertijd met 3%. Met hoeveel procent zijn de loonkosten per product gestegen?


  • indexcijfer loonkosten per product = 104 / 103 𝑥 100 = 100,97
  • loonkosten per product stijgen met 0,97%
  • sommige ondernemingen zullen nu de verkoopprijzen verhogen
indexcijferloonkostenperproduct=indexcijferarbeidsproductiviteitindexcijferloonkostenperwerknemer×100
timer
2:00

Slide 32 - Slide

Opgave 3.4







  • A = %Δ loonkosten per product = 105,1 / 97,9 x 100 = 107,4 dus 7,4 %
  • B = %Δ loonkosten werknemer = 98,4 x 105,5 / 100 = 103,8 dus 3,8 %
  • C = %Δ arbeidsproductiviteit = 101,6 / 104,7 x 100 = 97,0 dus -3,0 %
  • D = %Δ loonkosten per product = 100,8 / 103,1 x 100 = 97,8 dus -2,2 %
land Alfa
2016
2017
2018
2019
2020
2021
loonkosten werknemer
3,7 %
5,1 %
B
2,1 %
1,6 %
0,8 %
arbeidsproductiviteit
2,6 %
-2,1 %
5,5 %
0,6 %
C
3,1 %
loonkosten per product
1,1 %
A
-1,6 %
1,5 %
4,7 %
D
indexcijferloonkostenperproduct=indexcijferarbeidsproductiviteitindexcijferloonkostenperwerknemer×100

Slide 33 - Slide

Leerdoelen H3. De structuur
  • Ik kan de begrippen op pagina 38 omschrijven (zie ook LWEO). 
  • Ik kan uitleggen hoe de verschillende productiefactoren de productie kunnen beïnvloeden.
  • Ik kan uitleggen wat de invloed is van de productiefactoren op de hoogte van het BBP.
  • Ik kan uitleggen hoe zowel de aanbod- als vraagfactoren het BBP beïnvloeden.
  • Ik kan uitleggen dat menselijk kapitaal en technologische vooruitgang van steeds groter economisch belang zijn.
  • Ik kan uitleggen door welke factoren de arbeidsproductiviteit bepaald wordt.
  • Ik kan aangeven welke factoren de grootte van de beroepsbevolking bepalen.
  • Ik kan de invloed van investeringen op arbeidsproductiviteit en productie zijn.
  • Ik kan de relatie tussen inkomensongelijkheid en economische ontwikkeling uitleggen.
  • Ik kan uitleggen waarom een lage tijdvoorkeur leidt tot meer vermogensvorming.








































Slide 34 - Slide

2. De productiefactor Kapitaal
De omvang (kwantiteit) van de productiefactor kapitaal wordt bepaald door:
  1. het producentenvertrouwen
  2. de winsten van bedrijven
  3. de rente (in Nederland door de ECB)
  4. de besparingen van gezinnen
  5. de invloed van de overheid met subsidies en heffingen (arbeids-, kapitaal- of milieubesparend)

De innovatie (kwaliteit) van de productiefactor kapitaal wordt bepaald door de besteding ervan die leidt tot een verhoging van de arbeidsproductiviteit.

Slide 35 - Slide

Oefening
  • wat: opdracht 3.8 (pagina 30)
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: 2 minuten
  • uitkomst: 4 gebeurtenissen
  • klaar: ga verder met je weektaak opdracht 3.1 t/m 3.16
timer
2:00

Slide 36 - Slide

Opdracht 3.8 (pagina 30)
Gebeurtenis 1
  • arbeidsproductiviteit stijgt
  • want minder mensen aan de nieuwe machine
Gebeurtenis 2
  • arbeidsproductiviteit stijgt
  • want minder mensen aan inpakmachine
Gebeurtenis 3
  • arbeidsproductiviteit blijft gelijk
  • want 2 nieuwe computers, maar ook 2 nieuwe werknemers
Gebeurtenis 4
  • arbeidsproductiviteit stijgt. want minder mensen door het nieuwe boekhoudprogramma

Slide 37 - Slide

3. De productiefactor Natuur
De omvang (kwantiteit) en kwaliteit van de productiefactor natuur is moeilijker te beïnvloeden dan de andere productiefactoren, maar denk aan:
  
  1. ontginning van nieuwe bronnen
  2. inpoldering
  3. irrigatie
  4. boskap
  5. overbevissing
  6. milieuvervuiling
  7. recycling

Slide 38 - Slide

4. De productiefactor Ondernemerschap
De omvang (kwantiteit) en de kwaliteit van de productiefactor ondernemerschap kun je beschouwen als een eigenschap van de productiefactor Arbeid.

Hierbij moet je denken aan:

  1. zorgen voor een efficiënte organisatie
  2. maken van goede investeringskeuzes
  3. vergroten van de productiecapaciteit o.b.v.                                                                                                    de productiefactor waar een tekort aan is
  4. de overheid kan ondernemerschap stimuleren door subsidies (zoals starters-, zelfstandigen-, MKB- en investeringsaftrek)

Slide 39 - Slide

Inkomensongelijkheid
Voordelen:
  • meer prikkels => arbeidsproductiviteit ↑
Nadelen:
  • hogere inkomens hebben een lage tijdsvoorkeur => consumptie ↓
  • lagere inkomens hebben minder geld voor scholing => arbeidsproductiviteit ↓ 
  • lagere inkomens hebben meer schulden
  • lagere inkomens hebben meer sociale en gezondheidsproblemen
  • minder sociale cohesie

Slide 40 - Slide

Slide 41 - Slide

De arbeidsproductiviteit van een land kan gemeten worden door ...
A
de totale waarde van de productie te delen door het aantal arbeidsjaren
B
de totale toegevoegde waarde te delen door het aantal werknemers
C
het nationaal inkomen te delen door de totale beroepsbevolking
D
het bruto binnenlands product te delen door het aantal werknemers

Slide 42 - Quiz

Wat is geen oorzaak van een stijging van de arbeidsproductiviteit per uur?
A
mechanisering en automatisering
B
het maken van overuren
C
scholing
D
arbeidsverdeling en specialisatie

Slide 43 - Quiz

Door innovatie bij een tuinbedrijf worden 6 van de 9 werknemers overbodig en ontslagen. De arbeidsproductiviteit in het tuinbedrijf is gestegen met ...
A
67%
B
100%
C
200%
D
300%

Slide 44 - Quiz

Irrigatie is een voorbeeld van het verhogen van de kwantiteit en kwaliteit van de productiefactor ...
A
Kapitaal
B
Arbeid
C
Natuur
D
Ondernemerschap

Slide 45 - Quiz

Les en weektaak

  • wat: opdracht 3.12 (pagina 32) in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met je weektaak opdracht 3.7 t/m 3.16

Slide 46 - Slide