les 30 - 2M - lunes 31 de marzo 2025

Les 30 - M2 - lunes 31 de marzo 2025
1 / 17
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 17 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

Les 30 - M2 - lunes 31 de marzo 2025

Slide 1 - Slide

¿Qué hacemos hoy? (Wat doen we vandaag?)

  • Huiswerk nakijken (zinnen vertalen) - 15m
  • Uitleg nieuw grammatica-onderwerp: ser-estar-hay + oefeningen (35m)
  • Korte break (5m)
  • Werken aan 'ser' - 'estar' - 'hay' op de laptop (20m)

Slide 2 - Slide

Zinnen vertalen (SP-NL)
  1. Marta ha buscado su tienda en el camping.
  2. Los abuelos han escrito una carta.
  3. He comprado mucha ropa en la tienda de moda.
  4. No hemos dicho dónde vivimos.
  5. Vosotros habéis bailado en la discoteca al lado del mar.
  6. Mi novio ha llegado al camping con una maleta muy grande. 

Slide 3 - Slide

Sommigen van jullie schrijven de juiste vertaling op het bord

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Ser betekent 'zijn'
Te gebruiken in de volgende omstandigheden:

  • identiteit (nationaliteit, geslacht, beroep, afkomst          
  • tijd, datum, dagen en gebeurtenissen
  • bepaald materiaal waarvan iets gemaakt is
  • het aangeven van eigendom

Slide 6 - Slide

ergens zijn /
zich bevinden

Slide 7 - Slide

ESTAR is een 2e werkwoord voor 'zijn':
ERGENS ZIJN - ZICH BEVINDEN

  • gevoelens/emoties.      Sofía está feliz (=gelukkig)
  • ligging van plaatsen.     Paris están en el centro de Francia
  • waar iemand zich bevindt.     Estoy en clase 
  • vraagzin: ¿Dónde estás?             

Waar ben je?

Slide 8 - Slide

HAY
Wat wordt er met HAY bedoeld?
HAY betekent 'er is' of 'er zijn'
Je kunt 'hay' niet vervoegen!

Ejemplos:
- Hay manzanas (er zijn appels)
- No hay fruta (er is geen fruit)
- Hay mucha gente (er zijn veel mensen)

Slide 9 - Slide

Ejercicios 26a + 26b (WB blz. 97)
  • Bij 26a kies je de juiste vorm in iedere zin
  • Bij 26b zoek je de foute zinnen, en onderstreep je het woord dat niet klopt
timer
10:00

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Respuestas 26a
1. En el hotel hay tres piscinas.
2. Las chicas son muy guapas.
3. Los abuelos están en el camping.
4. La playa está muy lejos. 

Slide 12 - Slide

Respuestas 26a
5. En el bosque no hay casas.
6. Cristina y Antonio están en el bosque.
7. ¿Dónde está mi mochila?
8. Cristina es la hermana de Violeta. 

Slide 13 - Slide

Respuestas 26b
1. En este pueblo no hay un camping.
3. Cristina y Antonio son amigos.
4. La ropa es muy barata en esta tienda.
6. ¿Hay una panadería en este centro comercial?
7. La playa está a cinco minutos del camping.

Slide 14 - Slide

Oefenen op de laptop 
https://aprenderespanol.org/verbos/ser-estar.html

Bovenstaande link kun je openen via je email in Magister.

Start vanaf oefening 4
 Start vanaf oefening 4!!

Slide 15 - Slide

Los deberes - ma 7 april

LZ: bron I (TB blz. 56) - het verschil tussen 'ser' - 'estar' en 'hay'




Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide