Lezen paragraaf 3.3 2kgt

1 / 34
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

Cette leçon contient 34 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 1 vidéo.

time-iconLa durée de la leçon est: 50 min

Éléments de cette leçon

Slide 1 - Diapositive

NEDERLANDS
PARAGRAAF 3.3 LEZEN, blz. 188 t/m 201

Slide 2 - Diapositive

Vandaag 
Korte herhaling lezen 1.3 en 2.3
Starten met lezen 3.3

Slide 3 - Diapositive

Kennis opfrissen lezen 1.3 en 2.3
Je krijgt een aantal vragen te zien.
Schrijf daarvan de antwoorden op je wisbordje. 
Dit doe je voor jezelf, in stilte!

Slide 4 - Diapositive

Lezen 1.3
Noem de vier verschillende leesstrategieën, dus de vier manieren van lezen. 

Slide 5 - Diapositive

Lezen 1.3
Noem de vier verschillende leesstrategieën, dus de vier manieren van lezen. 
  • Verkennend lezen
  • Nauwkeurig lezen
  • Zoekend lezen
  • Studerend lezen

Slide 6 - Diapositive

Lezen 1.3
Iedere tekst gaat ergens over. Hoe noem je dat?

Slide 7 - Diapositive

Lezen 1.3
Iedere tekst gaat ergens over. Hoe noem je dat?

Het onderwerp.

Slide 8 - Diapositive

Lezen 1.3
Hoe vind je het onderwerp?

Slide 9 - Diapositive

Lezen 1.3
Hoe vind je het onderwerp?

Je leest een tekst verkennend
Dan stel je jezelf de vraag: Waarover gaat deze tekst?

Slide 10 - Diapositive

Lezen 1.3
Wat is een deelonderwerp?

Slide 11 - Diapositive

Lezen 1.3
Wat is een deelonderwerp?

Een stukje van de tekst, dus een tekstgedeelte dat over een stukje van het onderwerp gaat.

Slide 12 - Diapositive

Lezen 2.3
Welke vier tekstdoelen ken je?

Slide 13 - Diapositive

Lezen 2.3
Welke vier tekstdoelen ken je?

  • Informeren
  • amuseren
  • overtuigen
  • activeren

Slide 14 - Diapositive

Lezen 2.3
Wat is een signaalwoord?

Slide 15 - Diapositive

Lezen 2.3
Wat is een signaalwoord?

Een woord dat het verband tussen woorden, zinnen of alinea's aangeeft. Dus een woord dat je vertelt wat het ene woord, de ene zin of de ene alinea mat de andere te maken heeft.

Dit verband noem je dan: tekstverband.

Slide 16 - Diapositive

LEERDOELEN
In deze paragraaf leer je:
  • meningen en argumenten herkennen;
  • signaalwoorden die een reden aangeven;
  • wat een betoog is;
  • signaalwoorden die een conclusie aangeven;
  • hoe je het tekstdoel 'overtuigen' herkent;
  • hoe je de hoofdgedachte van een tekst vindt en opschrijft.

Slide 17 - Diapositive

Vandaag in de les
  • Mening en argument; 
  • signaalwoorden: reden;
  • betoog;
  • signaalwoorden: conclusie. 

Slide 18 - Diapositive

4

Slide 19 - Vidéo

01:02
Aan de slag

Slide 20 - Diapositive

01:02
3.3 Lezen
Pak blz. 188 voor je.
We maken opdracht 1 en 2 gezamenlijk
Dan lezen we de theorie door op blz. 189 en 190

Slide 21 - Diapositive

In het slot van een betoog trekt de schrijver een conclusie. Je herkent de conclusie aan de signaalwoorden:
A
dus of kortom
B
daarom of immers
C
maar of daarentegen
D
bijvoorbeeld of zoals

Slide 22 - Quiz

SIGNAALWOORD: CONCLUSIE
In het slot van een betoog trekt de schrijver een conclusie. Je herkent de conclusie aan de signaalwoorden dus of kortom

Voorbeeld:
  • Meer sport op school betekent dus gezondere en slimmere leerlingen.
  • Kortom, er zijn alleen maar voordelen aan het inkorten van de leerplicht.
De conclusie is vaak een mening.
Je hoeft het er dus niet eens mee te zijn.

Slide 23 - Diapositive

Zelfstandig werken
In de les ga je aan de slag met: 
  • Opdracht 16 t/m 22 op blz. 172 t/m 175
  • Klaar? Test jezelf maken in de digitale methode
    - Via het kwadrant naar itslearning
    - Nederlands -> bronnen -> licentie talent -> hoofdstuk 3, paragraaf 3 -> onderaan test jezelf

Opdrachten die niet klaar zijn, wordt huiswerk voor maandag

timer
15:00

Slide 24 - Diapositive

01:02
Een betoog heeft meerdere alinea's. Namelijk inleiding, kern en slot. Sleep het juiste antwoord naar het juiste doel.
INLEIDING
KERN
SLOT
De schrijver geeft zijn mening over het onderwerp
De schrijver geeft argumenten voor zijn mening.
De schrijver geeft zijn eindoordeel: zijn conclusie. Hierbij herhaalt hij zijn mening.

Slide 25 - Question de remorquage

01:02
Een betoog is een tekst waarmee de schrijver de lezer wil overtuigen van zijn mening.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 26 - Quiz

Feit
Mening
Ik zit in de tweede klas
Ik heb een hekel aan vroeg opstaan.
Nederlands is een leuk vak
Op mijn school wordt goed les gegeven.
Roken is slecht voor je gezondheid

Slide 27 - Question de remorquage

MENING EN ARGUMENT
Als je vertelt wat je van iets vindt, dan geef je je mening. Vaak geef je daar ook een argument bij: dus waarom jij die mening hebt.
Hoe beter je argument is, hoe eerder de ander het met je eens zal zijn. 
Voorbeeld:
  • Ik wil een huiswerkvrij school, want dan hoef je thuis niet meer voor school te leren.
  • De pauzes op school moeten langer worden, omdat je dan meer tijd hebt om rustig te eten. 

Slide 28 - Diapositive

In een tekst geven signaalwoorden het verband aan tussen woorden, zinnen of alinea's.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 29 - Quiz

Voorbeelden van zulke verbanden zijn een opsomming en een tegenstelling.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 30 - Quiz

SIGNAALWOORD
Voorbeeld en reden
Maar we hebben er nog veel meer waaronder:



Ik ga vanmiddag met mijn moeder winkelen, want ik heb een nieuwe broek nodig. 
Ook bij een argument gebruik je een signaal voor een reden.
  • Ik vind dat een goede serie, omdat die zo spannend is. 


Voorbeeld
bijvoorbeeld, zoals, zo, ter illustratie, een voorbeeld van
Reden
daarom, immers, namelijk, omdat, vanwege, want

Slide 31 - Diapositive

SIGNAALWOORD
opsomming en tegenstelling
Je weet nu dat signaalwoorden het verband tussen woorden, zinnen of alinea's aangeven. 
Ook weet je dat opsomming en een tegenstelling een voorbeeld zijn van verbanden.

opsomming
allereerst, ten eerste, ten tweede, ook, bovendien, daarnaast, verder, vervolgens, tot slot
tegenstelling
maar, daarentegen, echter, toch, integendeel

Slide 32 - Diapositive

Verzin een argument waarin je het signaalwoord 'DAAROM' gebruikt.

Slide 33 - Question ouverte

Opsomming
tegenstelling
Voorbeeld 
Reden
Conclusie
allereerst
bovendien
tot slot
maar
echter
toch
bijvoorbeeld
een voorbeeld van
zoals
immers
namelijk
omdat
dus
kortom

Slide 34 - Question de remorquage