Spelling - blok 5

Spelling - blok 5
1 / 19
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1

Cette leçon contient 19 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min

Éléments de cette leçon

Spelling - blok 5

Slide 1 - Diapositive

Wat gaan wij /jullie vandaag doen? 
  • Wij gaan de afspraken en regels bespreken.
  • Wij gaan de leerdoelen van deze les bespreken.
  • Jullie krijgen uitleg over de theorie van spelling, blok 5. 
  • Jullie gaan een samenwerkingsopdracht maken.
  • Jullie gaan zelfstandig het huiswerk maken. 

Slide 2 - Diapositive

Afspraken en regels 
Je bent op tijd in de les!
Telefoon thuis of in de kluis!
Opgeladen Chromebook
1e keer waarschuwing --> 2e keer strafwerk --> 3e keer nablijven
Geen kauwgom of snoep --> nu kan het nog in de prullenbak
Je mag een slokje water drinken, maar vraag eerst even om toestemming --> flesje water zit in je tas.
Als er iemand aan het woord is, zijn jullie stil!
Wij letten op ons volume 

Slide 3 - Diapositive

Leerdoelen 
Na deze les: 
  • kun je het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord spellen;
  • kun je de bezitsvorm van zelfstandige naamwoorden spellen;
kun je getallen goed spellen.




Slide 4 - Diapositive

Terugkoppeling vorige les  
  • Meervoud van zelfstandige naamwoorden
  • g-klank

Slide 5 - Diapositive

Meervoud van zelfstandige naamwoorden 
Zelfstandige naamwoorden --> Woorden voor mensen, dieren en dingen noem je zelfstandige naamwoorden.
  • Woorden die eindigen op a - i - o - u - y krijgen +'s --> 
opa - opa's
  • Woorden die eindigen op ee krijgen +ën --> ree - reeën
  • Een woord dat eindigt op een s, krijgt meestal een z  --> huis - huizen
  • Een woord dat eindigt op een f, krijgt meestal een v  --> staaf - staven 
  • Sommige krijgen +eren --> kind - kinderen

Slide 6 - Diapositive

Waar zijn de woorden juist gespeld?
Maria heeft op maanda..... altijd vle....ten in haar haar.
A
mandagg-vlegten
B
maandacg-vleggten
C
maandag-vlechten

Slide 7 - Quiz

Nieuwe theorie spelling - blok 5 
  • Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord
  • Korte en lange klanken
  • Bezitsvorm
  • Getallen

Slide 8 - Diapositive

Voltooid deelwoord en bijvoeglijk  naamwoord

Voltooid deelwoord --> Als je wilt vertellen dat iets al gebeurd is, dan gebruik je een voltooid deelwoord in een zin.
Voltooid betekent dat iets af is. Er gebeurt daarna niets meer.
Bijvoorbeeld: 
Ik huil --> ik ben nu aan het huilen. 
Ik heb gehuild → Ik ben niet meer aan het huilen. Ik ben weer vrolijk. 
Bijvoeglijk naamwoord --> Je kunt zinsdelen aanvullen door kenmerken of eigenschappen van de zelfstandige naamwoorden toe te voegen. -->De lange jongen droeg een blauwe jas. 

Slide 9 - Diapositive

Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord
Je kunt een voltooid deelwoord gebruiken als bijvoeglijk naamwoord.
Bijvoorbeeld: 
Is mijn spijkerbroek al gewassen? –>De gewassen spijkerbroek.

Slide 10 - Diapositive

Korte en lange klanken
Je hebt geleerd hoe je een woord met een korte klank langer maakt. Als je aan het einde van de klankgroep een korte klank hoort, dan komt er een medeklinker bij als je het woord schrijft. Dit geldt ook voor het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord.
Bijvoorbeeld: 
De voorbijganger heeft de man gered. –> De geredde man.

Je hebt ook geleerd hoe je woorden met een lange klank langer maakt. Als je een lange klank aan het einde van een klankgroep hoort, dan laat je een klinker weg als je het woord schrijft. Dit geldt ook voor het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord.
Je hebt het geld goed besteed. – Het goed bestede geld.

Slide 11 - Diapositive

Ik gooi de
(verrotten) appel snel bij het afval.
A
verrotten
B
verrotte
C
verotten
D
verote

Slide 12 - Quiz

Korte en lange klanken (2)
Sommige voltooide deelwoorden eindigen op -en. Het bijvoeglijk naamwoord schrijf je dan precies zo.
Bijvoorbeeld: 
Ik heb een taart gebakken. –> De gebakken taart.

Slide 13 - Diapositive

Bezitsvorm
1a) ik leen vaak de kleren van mijn zusje → 1b) ik leen vaak mijn zusjes kleren.
2a) mijn oma vraagt naar het rapport van mijn broer → 2b) mijn oma vraagt naar mijn broers rapport.

In alle zinnen wordt uitgelegd dat iets van iemand is. 
In zin 1a en 2a wordt gezegd: de kleren van mijn zusje en het rapport van mijn broer. Dit kun je ook anders zeggen (zin 1b en 2b): mijn zusjes kleren en mijn broers rapport. Dit noem je de bezitsvorm.

Slide 14 - Diapositive

Bezitsvorm (2) 
Hoe spel je de bezitsvorm?

  • Zet een s achter het zelfstandig naamwoord.
  • Spel ’s als het zelfstandig naamwoord eindigt op a, i, y, o of u.
  • Spel ’s als het zelfstandig naamwoord eindigt op een e die klinkt als ee.
  • Schrijf alleen als het zelfstandig naamwoord eindigt op een sisklank.



Slide 15 - Diapositive

Getallen 
In teksten gebruik je meestal geen cijfers, maar schrijf je getallen voluit.
Bijvoorbeeld: 
1. Op de tweede dag van de vakantie had ik al heimwee.
2. In de jaren tachtig was hiphop sterk in opkomst.
Op deze regel zijn een paar uitzonderingen.
  • Bij maten en gewichten zijn cijfers soms overzichtelijker. --> In het recept staat dat we 25 gram suiker moeten toevoegen.
  • Grote, ingewikkelde getallen schrijf je meestal in cijfers.
  • Voor of na cijfers en getallen kom je soms speciale tekens en afkortingen tegen, zoals €, %, kg of cm. In een tekst schrijf je deze voluit: euro, procent, kilo of centimeter.



Slide 16 - Diapositive

Bij twee winkels zijn de chocopinda’s in de aanbieding.
twee=
A
goed
B
fout

Slide 17 - Quiz

Samenwerkingsopdracht 

Slide 18 - Diapositive

Aan de slag! 
Je gaat de volgende opdrachten van spelling van blok 5  maken: 
  • 5.7 (weet je het nog?)
  • 5.8 (voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord)
  • 5.9 (bezitsvorm)
  • 5.10 (getallen)
  • 5.11 (dictee) hoeven jullie niet te maken.
  • Klaar? NUMO

Slide 19 - Diapositive