Opbouw: Is er een duidelijke inleiding, kern en afsluiting?
Spreekdoel: Komt duidelijk naar voren of de spreker wil informeren, overtuigen of instrueren?
Verstaanbaarheid: Is de spreker goed te verstaan?
Tempo: Spreekt de spreker niet te snel of te langzaam?
Lichaamstaal: Ondersteunt de houding wat er gezegd wordt?
Toon en taalgebruik: Passen die bij het gekozen publiek?