groep 7 thema 6 herhaling opdrachten

Thema 6 herhaling
1 / 32
suivant
Slide 1: Diapositive
TaalBasisschoolGroep 7

Cette leçon contient 32 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 1 vidéo.

Éléments de cette leçon

Thema 6 herhaling

Slide 1 - Diapositive

Slide 2 - Diapositive

Welk woord is infinitief?
A
durft
B
noemen
C
verteld
D
gehad

Slide 3 - Quiz

Welk woord is de persoonsvorm:
Nee, ze heeft gewoon slecht geslapen
A
ze
B
heeft
C
gewoon
D
geslapen

Slide 4 - Quiz

Welk woord is een voltooid deelwoord?
Hoe heb je dat gemaakt?
A
heb
B
je
C
dat
D
gemaakt

Slide 5 - Quiz

Wat is de persoonsvorm?
Jij moet ten minste een wereldtaal beheersen.
A
moet beheersen
B
moet
C
jij
D
wereldtaal

Slide 6 - Quiz

Wat is het voltooide deelwoord?
En van mij heb je goed Nederlands geleerd.
A
heb
B
Nederlands
C
je
D
geleerd

Slide 7 - Quiz

Slide 8 - Vidéo

welke vraag stel je bij het meewerkend voorwerp
A
Aan wie of voor wie
B
Wie
C
Wie of wat
D
Wat

Slide 9 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp?
Zoe geeft aan Jay een papiertje.
A
Zoe
B
aan Jay
C
geeft
D
een papiertje

Slide 10 - Quiz

Wat heeft de advocaat jou verteld?
Wat is het meewerkend voorwerp?
A
de advocaat
B
jou
C
verteld
D
heeft

Slide 11 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp?
'Mijn oma appt mij het recept.'
A
Mijn oma
B
mij
C
het recept
D
Er is geen meewerkend voorwerp

Slide 12 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp?

De man biedt haar een stoel aan.
A
een stoel
B
biedt
C
haar
D
een stoel

Slide 13 - Quiz

Justin heeft veel geld aan zijn zusje gegeven.
Wat is het meewerkend voorwerp?
A
aan zijn zusje
B
Justin
C
heeft
D
veel geld

Slide 14 - Quiz

Opa heeft voor ons allemaal een leesboek gekocht.
Wat is het meewerkend voorwerp?
A
Opa
B
heeft gekocht
C
voor ons allemaal
D
een leesboek

Slide 15 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp?
Mark vraagt aan Job om hem een spelletje te lenen.
A
spelletje
B
te lenen
C
Mark
D
aan Job

Slide 16 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp?
Jolande brengt hun limonade en koekjes.
A
hun
B
limonade en koekjes
C
Jolande
D
brengt

Slide 17 - Quiz

persoonlijk voornaamwoord

Slide 18 - Diapositive

Wat is het persoonlijk voornaamwoord?
'Help jij mee met koken?'
A
Help
B
Jij
C
Mee
D
Koken

Slide 19 - Quiz

Wat is het persoonlijk voornaamwoord?
'Weten jullie hoe de cavia heet?'
A
Hoe
B
Weten
C
De cavia
D
Jullie

Slide 20 - Quiz

Wat is een persoonlijk voornaamwoord?
A
Mijn, jouw, haar, uw, ons, jullie etc.
B
Ik, jij, hij, zij, wij, jullie etc.
C
Wijst iets aan: deze, die, dit en dat
D
Plakt twee zinnen aan elkaar

Slide 21 - Quiz

Wat is het persoonlijk voornaamwoord?
Ik woon in een rijtjeshuis.
A
Ik woon
B
Een rijtjeshuis
C
Ik
D
in

Slide 22 - Quiz

De kapper knipt hem.

Wat is hier het persoonlijk voornaamwoord?
A
de
B
kapper
C
knipt
D
hem

Slide 23 - Quiz

Wat is een voorbeeld van een persoonlijk voornaamwoord?
A
jij
B
hond
C
huis
D
schaar

Slide 24 - Quiz

Wat is het persoonlijk voornaamwoord?

'Zij vertelde een leuke grap.'
A
Zij
B
Vertelde
C
Leuke
D
Grap

Slide 25 - Quiz

Wat is het persoonlijk voornaamwoord?
De kinderen vinden hem erg gezellig.
A
kinderen
B
Er is geen persoonlijk voornaamwoord.
C
gezellig
D
hem

Slide 26 - Quiz

Dubbelzinnig taalgebruik

Slide 27 - Diapositive

Welk woord is dubbelzinnig?
Breng het geld naar de bank.
A
het geld
B
naar
C
breng
D
de bank

Slide 28 - Quiz

Welk woord is dubbelzinnig?
De eigenaar van de kinderboerderij kreeg een ram.
A
De eigenaar
B
de kinderboerderij
C
kreeg
D
een ram

Slide 29 - Quiz

Welk woord is dubbelzinnig?
Werp even een blik door het raam.
A
Werp
B
even
C
een blik
D
het raam

Slide 30 - Quiz

Welk woord is dubbelzinnig?
Peter staat op een pad.
A
een pad
B
Peter
C
staat
D
op

Slide 31 - Quiz

Welk woord is dubbelzinnig?
Daar ligt een muis in de kast.
A
Daar
B
ligt
C
een muis
D
de kast

Slide 32 - Quiz