H10:Werktuigen vmbo-B

H10:Werktuigen vmbo-B
1 / 47
suivant
Slide 1: Diapositive
Nask / TechniekMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 4

Cette leçon contient 47 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 2 vidéos.

time-iconLa durée de la leçon est: 50 min

Éléments de cette leçon

H10:Werktuigen vmbo-B

Slide 1 - Diapositive

Is er maar één soort kracht?
A
Ja, alle krachten zijn hetzelfde.
B
Nee, er zijn meer soorten krachten.
C
Nee, dat hangt van de plaats af.
D
Ja, dat is de spierkracht.

Slide 2 - Quiz

Wat is NIET een soort kracht?
A
Spierkracht
B
Massakracht
C
Magnetische kracht
D
Veerkracht

Slide 3 - Quiz

Welke soort kracht zorgt ervoor dat de paperclips worden aangetrokken?
A
Magnetische kracht
B
Elektrische kracht
C
Zwaartekracht
D
Kleefkracht

Slide 4 - Quiz

De eenheid van kracht is ..... Het symbool voor kracht is .....
A
F ; N
B
Newton ; n
C
newton ; N
D
newton ; F

Slide 5 - Quiz

Hoe groot is de kracht die de kracht
meter aangeeft?
A
0,5 N
B
0,6 N
C
0,7 N
D
0,8 N

Slide 6 - Quiz

Met welke formule kun je (Zwaarte)kracht berekenen.
A
F = m x 10
B
F = m : 10
C
F = m + 10
D
F = m - 10

Slide 7 - Quiz

Een varken weegt 320 kg.

Hoeveel zwaartekracht oefent die op de grond uit?
A
32 N
B
320 N
C
32000 N
D
3200 N

Slide 8 - Quiz

 Hefbomen
  • Waarom hefbomen
  • Hoe werkt een hefboom
  • Wat is een takel

Slide 9 - Diapositive

Hefbomen
Wat is een hefboom? Een hefboom vergroot je kracht 
Onderdelen: hefboom heeft een arm, kracht en een draaipunt

Slide 10 - Diapositive

Slide 11 - Diapositive






               Welke hefboom geeft de meeste kracht? 
A
Hefboom A
B
Hefboom B
C
Hefboom C
D
geen van alle

Slide 12 - Quiz

krachtvergroting = werkarm : lastarm

Slide 13 - Diapositive

krachtvergroting = werkarm : lastarm
 8:1= 8 x zo sterk
 

Slide 14 - Diapositive

dubbele hefboom
dubbele hefbomen = twee met elkaar verbonden hefbomen

snoeischaar, nijptangen 

Slide 15 - Diapositive

Wat wordt bedoeld met draaipunt bij hefbomen?
A
hefbomen die je kunt rond draaien
B
het punt waar de hefboom gaat draaien
C
hefbomen hebben geen draaipunt
D
daar waar je op de hefboom kracht uit oefent

Slide 16 - Quiz

Met een hefboom verander je de kracht
die je kunt uitoefenen.
Hoe verandert een hefboom de kracht?
A
een hefboom verkleint de kracht die je kunt uitoefenen.
B
een hefboom vergroot de kracht die je kunt uitoefenen.

Slide 17 - Quiz

krachtvergroting = werkarm : lastarm
krachtvergroting = 15 : 6 = 2,5

Slide 18 - Diapositive

katrollen en takels
Er zijn twee soorten katrollen:
vaste katrol
losse katrol

Slide 19 - Diapositive

Katrol
Met een katrol verander je de richting van een kracht.

Slide 20 - Diapositive

Katrollen

Vaste katrol:
de richting van de kracht veranderd
De grootte van de kracht
veranderd niet.

Slide 21 - Diapositive

De losse katrol
  • Een losse katrol maakt ons sterker.
  • De last (zwaartekracht) wordt verdeeld over het aantal touwen waaraan de katrol hangt.

Slide 22 - Diapositive

Wat doet een vaste katrol?
A
die verandert de richting van de trekkracht
B
die halveert de nodige trekkracht
C
die verandert de richting en halveert de kracht

Slide 23 - Quiz

Ik heb een losse katrol. Wat is het voordeel van een losse katrol?
A
Richting verandert
B
kracht vermindert
C
Richting verandert en kracht vermindert
D
Meer touw binnenhalen

Slide 24 - Quiz

Katrollen en takels
Waarom een katrol?
  • maakt tillen makkelijker 

Verschil Katrol en Takel?
  • Een takel is een combinatie van                                           twee of meer katrollen 
  • => kracht wordt verdeeld

Slide 25 - Diapositive

Te zwaar... gebruik dan een takel

Slide 26 - Diapositive

Takel
Een takel heeft een vaste
en een losse katrol.


Wat je wint aan kracht, verlies je aan afstand. 


Slide 27 - Diapositive


De takel draagt een last van 1200 N. 
Hoe groot is de trekkracht bij de getekende takel?

A
400 N
B
600 N
C
1200 N
D
2400 N

Slide 28 - Quiz

Welke kracht moet je uitoefenen bij deze takel als het gewicht 200 N is.
A
12,5
B
25
C
50
D
100

Slide 29 - Quiz

De takel in de tekening bestaat uit:
A
Een losse katrol en drie vaste katrollen
B
Twee losse katrollen en twee vaste katrollen
C
Vier losse katrollen
D
Vier vaste katrollen

Slide 30 - Quiz

Aan de slag
Maken blz: 38
H10.3

Slide 31 - Diapositive

Wat is de formule voor een krachtvergroting?
krachtvergroting=

Slide 32 - Question ouverte


De takel draagt een last van 1200 N. 
Hoe groot is de trekkracht bij de getekende takel?

A
400 N
B
600 N
C
1200 N
D
2400 N

Slide 33 - Quiz

Welke kracht moet je uitoefenen bij deze takel als het gewicht 200 N is.
A
12,5
B
25
C
50
D
100

Slide 34 - Quiz

H10.5  Druk

Slide 35 - Diapositive

We lopen door modder
Welke schoenen gaan dieper in het modder?
of 

Slide 36 - Diapositive

We rijden door modder
Welke banden gaan dieper in het modder?
of 

Slide 37 - Diapositive

Druk
Een voorwerp dat op een oppervlakte staat, oefent een kracht uit op die oppervlakte. 
Er geldt: 
  • hoe groter de oppervlakte, hoe kleiner de druk. 
  • hoe kleiner de kracht, hoe kleiner de druk.

Slide 38 - Diapositive

druk berekenen
Druk kun je berekenen door de kracht te delen door de oppervlakte. In een formule:

druk = kracht : oppervlakte

Slide 39 - Diapositive

Voorbeeld
Op een auto werkt een zwaartekracht van 12 000 N. De banden maken op een oppervlakte van 1600 cm2 contact met de weg.
Bereken de druk van de banden op de weg.





Slide 40 - Diapositive

Voorbeeld
Op een auto werkt een zwaartekracht van 12 000 N. De banden maken op een oppervlakte van 1600 cm2 contact met de weg.
Bereken de druk van de banden op de weg.

druk = kracht : oppervlakte




Slide 41 - Diapositive

Voorbeeld
Op een auto werkt een zwaartekracht van 12 000 N. De banden maken op een oppervlakte van 1600 cm2 contact met de weg.
Bereken de druk van de banden op de weg.

druk = kracht : oppervlakte
druk = 12 000 N : 1600 cm2 = 7,5 N/cm2



Slide 42 - Diapositive

De druk wordt groter als de kracht groter wordt
A
Waar
B
Niet waar

Slide 43 - Quiz

Wat is de formule voor druk?
A
Druk = massa x versnelling
B
Druk = volume / tijd
C
Druk = kracht / oppervlakte
D
Druk = temperatuur + volume

Slide 44 - Quiz

Hoe bereken je de druk?
A
oppervlakte x massa
B
oppervlakte x kracht
C
massa : oppervlakte
D
kracht : oppervlakte

Slide 45 - Quiz

Slide 46 - Vidéo

Slide 47 - Vidéo