MH1 - Nederlands - verwijswoorden

mhv1 - verwijswoorden
Nederlands - periode 3 - schrijven
1 / 16
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1-3

Cette leçon contient 16 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 70 min

Éléments de cette leçon

mhv1 - verwijswoorden
Nederlands - periode 3 - schrijven

Slide 1 - Diapositive

Programma
  • Lezen in je leesboek
  • Terugblik: leerdoelen vorige les
  • Leerdoelen
  • Verwijswoorden - theorie
  • Verwijswoorden - aan de slag
  • Leerdoelen check

Slide 2 - Diapositive

Lezen in je leesboek
timer
15:00

Slide 3 - Diapositive

Leerdoelen vorige les
1. Ik kan uitleggen wat een woordgeslacht is.
2. Ik kan uitleggen hoe ik met behulp van het woordgeslacht de juiste lidwoorden kan kiezen.

Slide 4 - Diapositive

Wat is een woordgeslacht?

Slide 5 - Question ouverte

Neem over en vul aan:
1. Bij mannelijke, vrouwelijke en meervoudige woorden horen de verwijswoorden ... en ...
2. Bij onzijdige woorden horen de verwijswoorden ... en ...

Slide 6 - Question ouverte

Leerdoelen vandaag
  1. Ik kan de verwijswoorden deze, die, dit en dat gebruiken om terug te verwijzen naar woorden die ik eerder heb gebruikt.

Slide 7 - Diapositive

Verwijzen in een tekst
Met verwijswoorden kun je verwijzen naar woorden die je eerder hebt gebruikt in een tekst. 
Op die manier maak je een tekst leesbaarder.

"Dat boek dat jij daar neer hebt gelegd. Heb jij dat nog nodig?"

Slide 8 - Diapositive

Woordgeslachten en verwijzen

Er bestaan allerlei soorten verwijswoorden. 
Als we verwijzen naar zelfstandige naamwoorden, gebruiken we de woorden deze, die, dit en dat

- Bij mannelijke en vrouwelijke woorden gebruik je deze en die: de man, deze man, die man. 
- Bij onzijdige woorden gebruik je het, dit en dat: dit verhaal, dat verhaal.

Slide 9 - Diapositive

Woordgeslachten en verwijzen

Je kunt deze, die, dit en dat ook zelfstandig gebruiken, zonder zelfstandig naamwoord.
- De zomer die ik nooit zal vergeten. 

Naar (een groter deel van) een zin kun je verwijzen met dat en dit.
- Jolien en Aisha gaan vaak naar de bioscoop. Dat / Dit vinden ze altijd fantastisch.

Slide 10 - Diapositive

Aan de slag!
1. Ga weer naar blz. 222 in je boek.
2. Maak opdrachten 1, 2 en 3.
3. Klaar? Lezen in je leesboek.

Je werkt zelfstandig.
Je werkt in stilte.
De eerste 5 minuten stel je geen vragen.
timer
15:00

Slide 11 - Diapositive

Bespreken / nakijken
1. Ga weer naar blz. 222 in je boek.
2. Maak opdrachten 1, 2 en 3.

Slide 12 - Diapositive

Check - leerdoelen
1. Ik kan de verwijswoorden deze, die, dit en dat gebruiken om terug te verwijzen naar woorden die ik eerder heb gebruikt.

Slide 13 - Diapositive

E-mail sturen aan je docent
1. Schrijf een tekst van ongeveer 150 woorden over je favoriete zanger/artiest/band/dj/rapper. Je mag ook een ander idool kiezen. 
2. Gebruik in je tekst ten minste één keer de woorden die, deze, dit en dat.

3. Schrijf de tekst in je schrift en neem de tekst morgen mee naar de les. 

Als je het niet afkrijgt, is het huiswerk voor donderdag. 

Slide 14 - Diapositive

Verwijswoorden zelf gebruiken in een tekst - opdracht
1. Schrijf een tekst van ongeveer 150 woorden over je favoriete zanger/artiest/band/dj/rapper. Je mag ook een ander idool kiezen. 
2. Gebruik in je tekst ten minste één keer de woorden die, deze, dit en dat.

3. Schrijf de tekst in je schrift en neem de tekst morgen mee naar de les. 

Als je het niet afkrijgt, is het huiswerk voor donderdag. 

Slide 15 - Diapositive

Volgende keer
Oefenen met alle theorie tot nu toe.

Slide 16 - Diapositive