Gramática Capítulo 2: En camino

Gramática Capítulo 2: 
En camino
1 / 26
suivant
Slide 1: Diapositive
SpaansMiddelbare schoolmavoLeerjaar 1

Cette leçon contient 26 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 1 vidéo.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min

Éléments de cette leçon

Gramática Capítulo 2: 
En camino

Slide 1 - Diapositive

Het werkwoord 'ESTAR'
Het werkwoord ESTAR betekent net zoals het werkwoord SER
het werkwoord ZIJN in het Nederlands. Het is een onregelmatig werkwoord, dit betekent dat je het echt uit je hoofd moet leren.
We gebruiken het werkwoord ESTAR onder andere om aan te geven:
WAAR iets of iemand is  (waar iets of iemand zich bevindt)

Slide 2 - Diapositive

Slide 3 - Diapositive

HAY
Als je wilt zeggen ER IS of ER ZIJN dan gebruik je het woordje       HAY

Bijvoorbeeld: 
Hay una fiesta en el pueblo (Er is een feest in het dorp)
Hay dos piscinas en el hotel ( Er zijn twee zwembaden in het hotel)

Slide 4 - Diapositive

El instituto __________ (is) cerca de mi casa.
A
estoy
B
estás
C
está
D
estamos

Slide 5 - Quiz

___________ (wij zijn) en el centro comercial
A
Estoy
B
Está
C
Estáis
D
Estamos

Slide 6 - Quiz

________ (ik ben) en casa.
A
Estoy
B
Estás
C
Está
D
Estamos

Slide 7 - Quiz

__________ (jullie zijn)cerca de la estación de trenes.
A
Estamos
B
Está
C
Estáis
D
Están

Slide 8 - Quiz

La farmacia ______ (is)al lado del hospital.
A
estoy
B
está
C
están
D
estamos

Slide 9 - Quiz

________ (er zijn) dos centros comerciales en esta ciudad.
A
Hay
B
Están
C
Estar
D
Estamos

Slide 10 - Quiz

De vraagwoorden!
De vraagwoorden wie, wat, waar, waarom, wanneer, welke en hoeveel krijgen altijd een accent. Zo kun je ze goed herkennen!

¿Quién / Quiénes? ----> Wie (enkelvoud/meervoud)
¿ Qué? ------> Wat
¿Dónde? ------> Waar
¿Por qué?------> Waarom
¿Cuándo? -----> Wanneer
¿Cuál / Cuáles? ----> Welke (enkelvoud/meervoud)
¿Cuánto? ------> Hoeveel

Slide 11 - Diapositive

¿Quién?
¿ Qué ?
¿Dónde?
¿Por qué?

   Waarom?

    
    Waar?

    Wat?

     Wie?

Slide 12 - Question de remorquage

¿ Cuándo?
¿ Cuál / Cuáles?
¿ Cuánto?
  
     Welke?

   Wanneer?

    Hoeveel?

Slide 13 - Question de remorquage

Regelmatige Spaanse werkwoorden
Spaanse werkwoorden eindigen op -ar, -er, -ir. Meestal zijn deze werkwoorden regelmatig en kun je dus makkelijk leren hoe je ze moet vervoegen. 
Eerst moet je weten hoe je de stam vindt. Dit doe je door de -ar/ -er/-ir weg te halen!
Bijvoorbeeld: Comer. De stam is COM
Hablar. De stam is HABL 
Vivir. De stam is VIV

Slide 14 - Diapositive

Van het werkwoord HABLAR zoeken we eerst de stam. Dat is door -AR weg te halen. Dan houden we HABL als STAM over. 
Ik (stam+o), Jij (stam +as), Hij/Zij/U (stam + a), Wij (stam+amos), Jullie (stam+áis), Zij( stam+an)

Slide 15 - Diapositive

Slide 16 - Diapositive

Buscar
Comer
Vivir
Hablar
Visitar
Saber
querer
willen
zoeken
eten
  weten
praten/ spreken
bezoeken
wonen/leven

Slide 17 - Question de remorquage

______ (ik zoek) los tomates
A
Busco
B
Buscas
C
Buscamos
D
Buscáis

Slide 18 - Quiz

______(we bezoeken) juntos el pueblo
A
Visito
B
Visitas
C
Visitamos
D
Visitáis

Slide 19 - Quiz

_____ (jij woont) en Betanzos
A
Vivo
B
Vives
C
Viven
D
Vivimos

Slide 20 - Quiz

_____ (zij eet) una manzana
A
Como
B
Comes
C
Come
D
Comen

Slide 21 - Quiz

____ (jullie zoeken) el centro comercial
A
Busco
B
Buscas
C
Buscamos
D
Buscáis

Slide 22 - Quiz

¿ _______(weten zij)dónde está el cine?
A
Sabe
B
Sabes
C
Sabemos
D
Saben

Slide 23 - Quiz

Tarea (huiswerk)
Werkboek blz. 47 oefening 24 b/c
Werkboek blz. 48 oefening 25 b/c
Werkboek blz. 48 oefening 26

Let op: gebruik Gramática I van blz. 24 tekstboek!

Slide 24 - Diapositive

Slide 25 - Vidéo

Vertaal?
Sé que estás ahí dentro
Todos preguntan donde estás
Dicen que intenté tener valor
Y ya no puedo más, déjame entrar!
Ya no nos queda nadie, solo tú y yo
¿Y ahora qué va a pasar?

Hazme un muñeco de nieve

Slide 26 - Diapositive