Thema 4 BS2: Afweer deel 2

Thema 4: 
Afweer
BS2: Afweer

deel 2
1 / 33
suivant
Slide 1: Diapositive
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

Cette leçon contient 33 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

Éléments de cette leçon

Thema 4: 
Afweer
BS2: Afweer

deel 2

Slide 1 - Diapositive

Uit welke bloedvaten kan een macrofaag 'glippen'?
A
Uit aderen en haarvaten
B
Uit haarvaten en slagaderen
C
Uit aderen, haarvaten en slagaderen
D
uit alleen haarvaten

Slide 2 - Quiz

Maak de goede combinaties
Antigeen
T-cel
B-cel
Antistof
Prikt geïnfecteerde cellen lek
Maakt antistoffen
Molecuul van ziekteverwekker
molecuul die bindt aan antigeen

Slide 3 - Question de remorquage

Wat is het nut van koorts?
A
Het heeft geen nut
B
Je afweercellen gaan langzamer werken
C
Je afweercellen gaan sneller werken
D
Ziekteverwekkers functioneren slechter

Slide 4 - Quiz

Welke cellen van de specifieke afweer worden ingeschakeld door de macrofaag / dendritische cel?
A
Natural killer cellen
B
B-cellen
C
T-cellen
D
Granulocyten

Slide 5 - Quiz

Wat doen de T-cellen?
A
Ze doden de geïnfecteerde cellen
B
Ze doden de ziekteverwekkers
C
Ze ruimen de dode cellen op
D
Ze maken antistoffen

Slide 6 - Quiz

Wat doen de B-cellen?
A
Ze doden de geïnfecteerde cellen
B
Ze doden de ziekteverwekkers
C
Ze ruimen de dode cellen op
D
Ze maken antistoffen

Slide 7 - Quiz

Slide 8 - Diapositive

Slide 9 - Diapositive

Slide 10 - Diapositive

Ontwikkeling witte bloedcellen
25% van de witte bloed-
cellen zijn lymfocyten,
ontstaan uit dezelfde
stamcel

Slide 11 - Diapositive

Ontwikkeling witte bloedcellen
B cellen ontstaan in het
beenmerg.
Rijpen in lymfknopen.

Slide 12 - Diapositive

Ontwikkeling witte bloedcellen
T cellen ontstaan in het
beenmerg.
Rijpen in de thymus.
T cellen die kunnen binden
aan lichaamseigen 
antigenen worden 
afgebroken.

Slide 13 - Diapositive

Thymus onderdeel lymfestelsel
De thymus is vooral actief bij kinderen, tot de puberteit. Daarna verschrompelt de thymus en komt er vetweefsel voor in de plaats. De thymus verdwijnt meestal niet helemaal.

Thymus is betrokken bij het maken van 
rijpen van de T-lymfocyten 

Slide 14 - Diapositive

Slide 15 - Diapositive

Quiz

Slide 16 - Diapositive

Wanneer iemand corona heeft gehad, worden er antistoffen tegen het virus gevonden in de bloedbaan. Welke cellen zijn hiervoor verantwoordelijk?
A
De macrofagen
B
De B-cellen
C
De T-cellen
D
De fagocyten

Slide 17 - Quiz

Als je ziek bent kun je koorts krijgen. Dit is een vorm van:
A
externe aspecifieke afweer
B
interne aspecifieke afweer
C
interne specifieke afweer
D
externe specifieke afweer

Slide 18 - Quiz


Afweer kan onder andere gebeuren door:
1 maagzuur; 2 fagocyten; 3 huid.
In welke situatie is er sprake van aspecifieke afweer?
A
alleen 1
B
alleen 3
C
alleen 1 en 3
D
zowel 1, 2 als 3

Slide 19 - Quiz

Antibiotica zijn medicijnen die werken tegen infectieziekten door bacteriën. Welk celonderdeel van de bacterie wordt beschadigd door de antibiotica?
A
celwand
B
celkern
C
cytoplasma
D
DNA

Slide 20 - Quiz

Wat is resistentie tegen antibiotica?
A
Het ongevoelig worden van je lichaam voor een ziekteverwekker
B
Het ongevoelig worden van je lichaam voor antibiotica
C
Je lichaam produceert antistoffen tegen een bepaalde ziekteverwekker
D
Het ongevoelig worden van een ziekteverwekker voor bepaalde antibiotica

Slide 21 - Quiz

Antibiotica en penicilline
A
Antibiotica=bacteriedodende geneesmiddel Penicilline= gemaakt van bacteriën
B
Antibiotica=bacteriedodende geneesmiddel Penicilline= gemaakt van planten
C
Antibiotica=bacteriedodende geneesmiddel Penicilline= gemaakt van melkzuur
D
Antibiotica=bacteriedodende geneesmiddel Penicilline= gemaakt van schimmels

Slide 22 - Quiz

Levend 
Levenloos
Kunnen bestreden worden met antibiotica
Antibiotica werkt niet
Delen zelf
Delen mbv gastcel
Virus
Bacterie

Slide 23 - Question de remorquage

De APC presenteert aan de T-helpercel een
A
antigen mbv MHC1
B
antigen mbv MHC2
C
antistof mbv MHC1
D
antistof mbv MHC2

Slide 24 - Quiz

Welk proces is in hiernaast bij stap 5 weergegeven?
A
Antigeen-presentatie
B
De vorming van een antigen-antistofcomplex
C
Fagocytose

Slide 25 - Quiz

Waarom vormen antistoffen de 'specifieke' afweer?
A
Deze stoffen kunnen ziekteverwekkers van verre opsporen
B
Één type antistof kan gericht één type ziekteverwekker uitschakelen
C
Omdat deze stoffen op alle ziekteverwekkers passen

Slide 26 - Quiz

Welke vorm van afweer zien we hier?
Bij welke barrière hoort deze?
A
Aspecifieke afweer van de eerste barrière
B
Specifieke afweer van de tweede barrière
C
Aspecifieke afweer van de tweede barrière
D
Specifieke afweer van de derde barrière

Slide 27 - Quiz

humorale afweer
cellulaire afweer
B-lymfocyten
antistoffen
cytotoxische T-lymfocyten
lysis
plasmacellen
gericht tegen geïnfecteerde lichaamscellen
gericht tegen ziekteverwekkers buiten de cellen

Slide 28 - Question de remorquage

Een seropositief persoon heeft in z'n bloed HIV-DNA en antistoffen tegen HIV. In welk bestanddeel van het bloed zit het HIV-DNA en in welke de antistoffen tegen HIV?
A
HIV-DNA in rode bloedcellen en antistoffen in bloedplasma
B
HIV-DNA in witte bloedcellen en antistoffen in bloedplasma
C
HIV-DNA in rode bloedcellen en antistoffen in witte bloedcellen
D
HIV-DNA in witte bloedcellen en antistoffen in rode bloedcellen

Slide 29 - Quiz

Bij Daan wordt vermoed dat hij allergisch is voor stoffen uit kippeneieren. Bij onderzoek wordt Daans bloed gemengd met eiwitten uit eieren. Stoffen in zijn bloed binden zich aan deze eiwitten. Dit is een aanwijzing voor ei-allergie.

Hoe heten de stoffen in het bloed die zich binden aan de eiwitten uit de eieren?

A
Antistoffen
B
Antigenen
C
Histamines.
D
Allergenen

Slide 30 - Quiz

Wat gebeurt er bij een auto-immuun ziekte?
A
je hebt een allergische reactie
B
je maakt teveel antistoffen aan
C
je bent gevaccineerd met het verkeerde virus
D
je witte bloedcellen vallen je eigen cellen aan

Slide 31 - Quiz

Wanneer bij bijvoorbeeld een transplantatie lichaamsvreemd weefsel in het lichaam terechtkomt, treden processen op die leiden tot chronische afstoting van het weefsel. Na presentatie door een APC wordt door een bepaald type witte bloedcellen het afstotingsproces in gang gezet. Welke?
A
Macrofaag/dendritische cel
B
T-helpercel
C
Cytotoxische T-cel
D
B-cel

Slide 32 - Quiz

Huiswerk
aan de slag: 11 t/m 18
timer
5:00

Slide 33 - Diapositive