Schrijf een kort verhaaltje van circa 15 zinnen.
- Gebruik minimaal 10 woorden uit het rijtje in je OB als kern van het gezegde. (onderstreep deze)
- Maak tenminste 5 zinnen met een werkwoordelijk gezegde en minimaal 5 zinnen met een naamwoordelijk gezegde.
- Bepaal zelf in welke volgorde je de woorden gebruikt.
- Maak zo nodig ook zinnen met woorden die niet in het rijtje voorkomen om het verhaal kloppend te krijgen.
- Aan het einde van de les lever je jouw verhaal bij mij in. Schrijf dus duidelijk en maak gebruik van de spellingsregels, hoofdletters en leestekens.