F onderwerp en gezegde les 2

Lesplanning

* stillezen in je leesboek
* terugblik vorige les
* par. F oefeningen


Lesdoel

Aan het eind van de 
les kan/weet ik:
* het onderwerp en gezegde in een zin herkennen en benoemen.

timer
10:00
1 / 15
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

Cette leçon contient 15 diapositives, avec diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 60 min

Éléments de cette leçon

Lesplanning

* stillezen in je leesboek
* terugblik vorige les
* par. F oefeningen


Lesdoel

Aan het eind van de 
les kan/weet ik:
* het onderwerp en gezegde in een zin herkennen en benoemen.

timer
10:00

Slide 1 - Diapositive

Schrijf op
Wat is het verschil tussen een werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde?
timer
1:00

Slide 2 - Diapositive

Schrijf op
Wat is het gezegde in deze zin en is dit een wg of ng?

Alle toetsen zijn door de docent geprint.
timer
1:00

Slide 3 - Diapositive

Schrijf op
Wat is het gezegde in deze zin en is dit een wg of ng?

Jane Austen is een schrijfster uit Engeland.
timer
1:00

Slide 4 - Diapositive

Gezegde

Wat iemand doet - werkwoordelijk gezegde
Kern van het gezegde = werkwoord

Wat iemand is/wordt - naamwoordelijk gezegde
Kern van het gezegde = naamwoord
  

Slide 5 - Diapositive

Werkwoordelijk gezegde (wg)
  • alle werkwoorden in de zin
  • dus de pv en alle andere eventuele werkwoorden
  • aan het ... en te ... horen dan ook bij wg.

Slide 6 - Diapositive

Naamwoordelijk gezegde (ng)
  • zegt iets over wat iemand is (of wordt of blijft).
  • bestaat uit één of meer werkwoorden en een naamwoord.
  • heeft altijd een koppelwerkwoord (kww) in de zin.

Slide 7 - Diapositive

Ng bestaat uit:
Werkwoordelijk deel = kww + eventuele hww 
Naamwoordelijk deel = waaraan het onderwerp gekoppeld wordt (een zn of bn)

Verschil wg en ng:
Werkwoordelijk gezegde zegt wat iemand of iets doet
Naamwoordelijk gezegde zegt wat iemand of iets is of wordt


Naamwoordelijk gezegde

Slide 8 - Diapositive

Koppelwerkwoorden(kww)
Zijn
Worden
A-
Blijven
Blijken
E-
Lijken
Schijnen
+ H D V (heten, dunken, voorkomen)
Het koppelt het onderwerp aan het naamwoordelijk deel. Het zegt wat het onderwerp IS of Wordt

Slide 9 - Diapositive

Onderwerp (ow)
Degene die / datgene wat iets doet of is.

De mensen kletsen.
De mensen zijn degenen die iets doen.

Justin Bieber is Canadees.
Justin Bieber is degene die iets is.

 

Slide 10 - Diapositive

Hoe vind je het ow?
Stel de vraag: Wie/wat + pv?

  • De kinderen spelen op straat. - pv = spelen
  • Wie/wat spelen? De kinderen
  • Kern: spelen, dat doen de kinderen

Slide 11 - Diapositive

Opdracht
Je maakt individueel opdracht 8, dus alleen!

Na 10 minuten maak je in een twee- of drietal opdracht 9. Je bespreekt dan samen opdracht 8.

Klaar? Maak opdracht 3 t/m 6 af, als je dat 
nog niet hebt gedaan.
timer
10:00
timer
5:00

Slide 12 - Diapositive

Opdracht 10
Schrijf een kort verhaaltje van circa 15 zinnen.
- Gebruik minimaal 10 woorden uit het rijtje in je OB als kern van het gezegde. (onderstreep deze)
- Maak tenminste 5 zinnen met een werkwoordelijk gezegde en minimaal 5 zinnen met een naamwoordelijk gezegde.
- Bepaal zelf in welke volgorde je de woorden gebruikt.
- Maak zo nodig ook zinnen met woorden die niet in het rijtje voorkomen om het verhaal kloppend te krijgen.
- Aan het einde van de les lever je jouw verhaal bij mij in. Schrijf dus duidelijk en maak gebruik van de spellingsregels, hoofdletters en leestekens.

Slide 13 - Diapositive

Schrijf op
Ik kan het gezegde en het onderwerp in een zin herkennen.
0 = echt (nog) niet / 10 = absoluut wel

Slide 14 - Diapositive

Hoe vind je dat je gewerkt hebt?
Teken een emoji in je schrift.

Slide 15 - Diapositive