Het aanwijzend voornaamwoord - l'adjectif démonstratif

het aanwijzend voornaamwoord
1 / 40
suivant
Slide 1: Diapositive
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2-4

Cette leçon contient 40 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 1 vidéo.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min

Éléments de cette leçon

het aanwijzend voornaamwoord

Slide 1 - Diapositive

Slide 2 - Vidéo

Welke aanwijzend voornaamwoord moet je gebruiken in het Frans als het woord is... 
mannelijk enkelvoud
vrouwelijk enkelvoud
Meervoud 
Ce
Cette 
Ces
Cet

Slide 3 - Question de remorquage

Wat is géén aanwijzend voornaamwoord?
A
c'
B
ce
C
cet
D
cette

Slide 4 - Quiz

Aanwijzend voornaamwoord:
_______ homme
A
ce
B
cette
C
ces
D
cet

Slide 5 - Quiz

Welk aanwijzend voornaamwoord?
________ filles
A
Ce
B
Ces
C
Cette
D
Cet

Slide 6 - Quiz

Aanwijzend voornaamwoord:
_______ monsieur
A
cet
B
cette
C
ces
D
ce

Slide 7 - Quiz

Welk aanwijzend voornaamwoord?
______ journaux
A
Ce
B
Cet
C
Cette
D
Ces

Slide 8 - Quiz

Een aanwijzend voornaamwoord is..:
A
mon/ma/mes
B
le/la/les
C
ce/cet/cette/ces
D
un/une/des

Slide 9 - Quiz

Welk aanwijzend voornaamwoord?
_____ acteur
A
Ce
B
Cet
C
Cette
D
Ces

Slide 10 - Quiz

Wat is een aanwijzend voornaamwoord?
A
ik, jij, hij, zij, men, wij, jullie, u, zij
B
mijn, jouw, zijn, haar, jullie, hun
C
die, dit, dat, deze
D
een, twee, drie, vier, vijf

Slide 11 - Quiz

Sleep het aanwijzend voornaamwoord naar het juiste vakje
Mannelijke woorden
Mannelijke woorden met een klinker of stomme h
Vrouwelijke woorden
Alle woorden in het meervoud
Ces
Cet
Ce
Cette

Slide 12 - Question de remorquage

Sleep de woorden naar het juiste aanwijzende voornaamwoord (2 per vak)
Ce
Cet
Cette
Ces
table
mur
animal
portables
fille
chaussures
homme
bureau

Slide 13 - Question de remorquage

Sleep de woorden naar het juiste aanwijzende voornaamwoord
Ce
Cet
Cette
Ces
Robe (v)
Métier (m)
Enfant (m)
Enfants (mv)
Femme (v)
Personnes (mv)
Hôtel 
(m)
Garçon (m)

Slide 14 - Question de remorquage

Welke aanwijzend vnw kun je niet vertalen door
CE in het Frans?
A
die/deze
B
dit/dat
C
alles kan door CE vertaal worden.

Slide 15 - Quiz

Aanwijzend voornaamwoord + vocabulaire
Ces oeufs
Ces baguettes
Ce fromage
cette viande

Slide 16 - Question de remorquage

1. Tu aimes     ...      légumes?

2.     ...      fille est ma soeur.

3.     ...     homme est vieux.

4. Je prends     ...      dessert.

Aanwijzend voornaamwoord
ces
cet
ce
cette

Slide 17 - Question de remorquage

VRAI OU FAUX
Er zijn twee aanwijzende vnw mogelijk voor mannelijk enkelvoud woorden.
A
VRAI
B
FAUX

Slide 18 - Quiz

VRAI OU FAUX
Met een woord in het meervoud, moet je ook weten of het woord vrouwelijk of mannelijk is.
A
VRAI
B
FAUX

Slide 19 - Quiz

Deze ster ( v)
A
ce star
B
cette star
C
cet star

Slide 20 - Quiz

deze boodschap (m)
A
ce message
B
cet message
C
cette message
D
ces messages

Slide 21 - Quiz

1. ...... professeur est nouveau.
A
Ce
B
Cet
C
Cette
D
Ces

Slide 22 - Quiz

2. .... étudiante est italienne.
A
Ce
B
Cet
C
Cette
D
Ces

Slide 23 - Quiz

3. Nous habitons à côté de ..... grand magasin.
A
ce
B
cet
C
cette
D
ces

Slide 24 - Quiz

4. Combien coûtent ..... oranges?
A
ce
B
cet
C
cette
D
ces

Slide 25 - Quiz

5. Vous comprenez ...... explications?
A
ce
B
cet
C
cette
D
ces

Slide 26 - Quiz

Grammaire 1: le pronom démonstratif   11 a-d
1. Het aanwijzend voornaamwoord bijvoeglijk gebruikt, dwz : 
 gevolgd door een zelfstandig naamwoord.
Mannelijk enkelvoud
ce
Vrouwelijk enkelvoud
cette
Mannelijk klinker / h
cet
Meervoud
ces
ce garçon = deze jongen
cette fille = dit meisje
cet hôtel = dit hotel
ces garçons = deze jongens
ces filles = deze meisjes
In het Nederlands : 'deze, die, dit, dat'.
Het aanwijzend voornaamwoord past zich aan aan het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort.
Je hebt het heel specifiek over een bepaald object. :'Ik wil die auto, ik wil dat snoepje, ik wil deze kat.' Het is direct duidelijk welke auto, snoepje of kat jij bedoelt. 

Slide 27 - Diapositive

Slide 28 - Diapositive

stappenplan 
stap 1 : Kijk of het zelfstandig naamwoord meervoud of enkelvoud is. 
Meervoud? Dan is het 'ces'. 
Is het enkelvoud? 

stap 2 : Kijk dan of het zelfstandig naamwoord mannelijk of vrouwelijk is. 
Vrouwelijk? dan is het 'cette'
Is het mannelijk?

stap 3 : Kijk nu of het zelfstandig naamwoord met een klinker of h begint. 
Begint het met een klinker of h? dan is het 'cet'
Geen klinker of h? Dan is het 'ce'

Slide 29 - Diapositive

2. Aanwijzend voornaamwoord zelfstandig gebruikt, dwz in plaats van een zelfstandig naamwoord
Je kunt het aanwijzend vnw ook zelfstandig gebruiken. Je gebruikt het dan in plaats van een zelfstandig naamwoord. 
Voorbeeld: 
C'est le stylo de ma mère = Het is de pen van mijn moeder
C'est celui de ma mère = Het is die van mijn moeder

C'est la voiture de ma soeur - het is de auto van mijn zus
C'est celle de ma soeur = het is die van mijn zus

Ce sont les livres (mmv) de ma cousine : ce sont ceux de ma cousine - het zijn die van mijn nicht

Slide 30 - Diapositive

Dus: het aanwijzend voornaamwoord zelfstandig gebruikt past zich aan aan het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort
Mannelijk
Vrouwelijk
Mann. mv
Vrouw. mv
celui
celle
ceux
celles

Slide 31 - Diapositive

zelfstandig gebruikt : in plaats van een zelfstandig naamwoord
deze/ deze hier/ die daar etc
bijvoeglijk gebruikt: in combinatie met zelfstandig naamwoord

Slide 32 - Diapositive

Andere voorbeelden:
Je vois la fille que j'adore       =  Ik zie het meisje dat ik liefheb
Je vois celle que j'adore        = ik zie degene die ik liefheb

Quels gateaux est-ce que tu préfères? = Aan welke taarten geef jij de voorkeur?
Ceux-ci ou ceux-là ? = Deze hier of die daar?   (vgl : ici/ voici --- là-bas/ voilà)

Quelle maison est plus grande? Welk huis is groter?
Celle-ci ou celle-là? Deze hier of die daar?

Slide 33 - Diapositive

Bonjour monsieur, oui j'ai choisi. Je voudrais ... chaise. Elle est trop belle!
A
ce
B
cet
C
cette
D
ces

Slide 34 - Quiz

Ce sont ... garçons qui ont cause le feu!
A
ce
B
cet
C
cette
D
ces

Slide 35 - Quiz

Voilà le vélo de mon père.
C'est ......... de mon père.
A
celle
B
ceux
C
celui
D
celles

Slide 36 - Quiz

C'est la photo de mon oncle.
C'est ........ de mon oncle.
A
celui
B
celles
C
ceux
D
celle

Slide 37 - Quiz

Quelles bananes veux-tu?
.......-ci ou ....-là?
A
ceux / ceux
B
celle/ celle
C
celles/ celles
D
celui/ celui

Slide 38 - Quiz

Voici la clé de la maison et ...... de
ma voiture.
A
celui
B
celle
C
ceux
D
celles

Slide 39 - Quiz

J'aime les livres de suspense mais
pas ...... qui sont ici.
A
celle
B
celui
C
celles
D
ceux

Slide 40 - Quiz