1. De moeder van Peter kocht gisteren wat bananen bij(=at) de supermarkt.
2. Het publiek moedigde ons vorige week aan, toch?
3. Ik denk dat paardrijden makkelijker is dan worstelen.
4. Gaf die leraar vorig jaar les op jullie school? Nee, dat deed hij niet.
5. Waren die spelers niet zenuwachtig voor hun wedstrijd?