les 1 - 10 maart 2025

Aujourd'hui c'est lundi 10 mars
1 / 50
suivant
Slide 1: Diapositive
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

Cette leçon contient 50 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 4 vidéos.

time-iconLa durée de la leçon est: 60 min

Éléments de cette leçon

Aujourd'hui c'est lundi 10 mars

Slide 1 - Diapositive

Présence
tout le monde est présent?

Slide 2 - Diapositive

au programme

  • correction devoirs
  • les aventures d'Isabelle
  • introduction chapitre 5
  • les devoirs 

Slide 3 - Diapositive

Les buts
- Je kan een Frans leesboekje begrijpen. (A1)
- Je hebt nagedacht over het thema 
"santé" en je weet hoe dit een rol speelt in Frankrijk. Je hebt ontdekt wat de verschillen hierin zijn met Nederland.
- Je hebt een standpunt genomen bij een stelling over het thema "santé" en je kan deze onderbouwen met argumenten.


 
 

 


Slide 4 - Diapositive

Slide 5 - Diapositive

bespreken chapitre 5

Slide 6 - Diapositive

On va lire chapitre 6 et 7
  • zoek woorden op die je niet kent
  • markeer belangrijk gebeurtenissen
  • Let op! Je hoeft niet alles woord voor woord te kunnen vertalen! 

Slide 7 - Diapositive

fais les exercices des chapitre 6 et 7
timer
10:00

Slide 8 - Diapositive

Chapitre 5


Objectif Santé

Slide 9 - Diapositive

Objectif Santé
Les objectifs du chapitre
  • vertellen over je gezondheid
  • vertellen dat je ziek bent
  • vertellen hoe gezond je bent
Vocabulaire
  • gezondheid
  • lichaam
  • sport
  • eten
Grammaire
  • La négation
  • Poser une question

Slide 10 - Diapositive

Chapitre 5 : Objectif santé
Leerdoelen/ les objectifs: 
  • je kan vertellen over je gezondheid
  • je kan vertellen dat je ziek bent
  • je kan vertellen hoe gezond je bent
  • je leert vocabulaire over gezondheid, lichaamsdelen, sport en eten
  • je kan de ontkenning gebruiken
  • je kan een vraag op verschillende manieren stellen

Slide 11 - Diapositive

Tu es d'accord?
"Je fais du sport deux fois par semaine"
Oui, tout à fait (zeker weten)
Non, pas du tout (helemaal niet)
Encore plus! (zelfs meer)

Slide 12 - Sondage

Tu manges bien pour ta santé?
😒🙁😐🙂😃

Slide 13 - Sondage

Tu es malade...
jamais
parfois
souvent

Slide 14 - Sondage

Tu as un test difficile aujourd'hui mais tu es un peu malade.
Que fais-tu? (Wat doe je?)
Tu vas à la maison et tu ne fais pas le test.
Tu fais le test, même si (ook al) tu n'es pas en forme.
Pas de problème, rien ne peut te stopper!

Slide 15 - Sondage

Slide 16 - Carte mentale

timer
10:00

Slide 17 - Diapositive

Slide 18 - Diapositive

Ben jij gevoelig voor fastfood reclames?
Ja, best wel
Nee, helemaal niet
Soms wel

Slide 19 - Sondage

Un petit film

Slide 20 - Diapositive

Slide 21 - Vidéo

1

Slide 22 - Vidéo

03:31
Wat vind jij: spelen influencers een belangrijke rol in het promoten van junkfood? Geef aan waarom wel/niet.

Slide 23 - Question ouverte

1

Slide 24 - Vidéo

06:14
Op scholen moet alleen gezond eten te krijgen zijn.
Eens
Oneens

Slide 25 - Sondage

Slide 26 - Vidéo

Overleg in groepjes van 4: "Junkfood reclames moeten verboden worden"
(Geef aan per groepje: voor of tegen + waarom)

Slide 27 - Question ouverte

Slide 28 - Diapositive

exercice 1a: Waarom zijn er zoveel apotheken in Frankrijk? (in tweetallen)
exercice 1b: on va regarder le film

Slide 29 - Diapositive

exercice 2a: Écoute de nouveau (opnieuw) en omcirkel de woorden die je hoort in de slang.

Slide 30 - Diapositive

Les réponses (de antwoorden)

1 malade      6 pharmacie 
2 tête           7 aspirine
3 ventre
4 fièvre
5 mal


 
2a

Slide 31 - Diapositive



Bekijk de afbeelding en zet de Franse woorden van 2a op de juiste plek.

Slide 32 - Diapositive

malade
pharmacie
aspirine
tête/ fièvre
ventre / mal
fièvre

Slide 33 - Diapositive

au travail-
les devoirs
Les aventures d'Isabelle
lire: chapitre 8
faire: exercice chapitre 8   

Objectif Santé

apprendre: A
faire: 3

Slide 34 - Diapositive

Slide 35 - Diapositive

Je kan een Frans leesboekje begrijpen. (A1)


Slide 36 - Sondage

Je hebt nagedacht over het thema
"santé" en je weet hoe dit een rol speelt in Frankrijk. Je hebt ontdekt wat de verschillen hierin zijn met Nederland.

Slide 37 - Sondage

Je hebt een standpunt genomen bij een stelling over het thema "santé" en je kan deze onderbouwen met argumenten.

Slide 38 - Sondage

au travail-
les devoirs
Les aventures d'Isabelle
lire: chapitre 8
faire: exercice chapitre 8    

Objectif Santé

apprendre: A
faire: 3

Slide 39 - Diapositive

Slide 40 - Diapositive

la santé
l'hôpital
le médicament
tomber malade
la maladie
le médecin
le mal
de gezondheid
het ziekenhuis
de dokter
ziek worden
de ziekte
het medicijn
de pijn

Slide 41 - Question de remorquage

la santé en France
>Il y a 291000 docteurs
       > Il y a plus de 500 hopitaux et cliniques
> Il y a plus de 22000 pharmacies
> Il y a presque 1000 pharmacies À Paris

Slide 42 - Diapositive

Fiche d'identité
Hoe heet je?
Hoe oud ben je?
Waar woon je?
Heb je broers en/of zussen?
Wat zijn je hobby's?

Voorbeeld:
(alles in het Frans! ;) )
La santé
Schrijf een verhaaltje over jezelf en je gezondheid.
Tu es en bonne santé? 
Tu fais du sport? 
Tu dors bien? 
Tu manges beaucoup de légumes et de fruits?

Geef een tip aan je lezer om gezond te blijven.

Slide 43 - Diapositive

la tête
le pied
le dos
le docteur
le médicament
l'hôpital
l'urgence
la pharmacie
le pharmacien
l'opération

Slide 44 - Question de remorquage

pijn hebben (aan) = avoir mal (à)

Tu as mal au cou.
J'ai mal à la tête.
Il a mal à l'oreille.
Nous avons mal aux yeux. 

Let op!
à + le > au
à + les > aux

Slide 45 - Diapositive

J'ai mal au ventre
J'ai mal aux pieds
J'ai mal au nez.

Slide 46 - Question de remorquage

Avoir mal à - pijn hebben aan

Ik heb pijn aan ....

Hij heeft pijn aan ......


Slide 47 - Diapositive

Avoir mal à - pijn hebben aan
J'ai
Tu as
Il,elle a
Nous avons
Vous avez
Ils, elles ont
mal à
la tête
la jambe
la main
onderwerp - werkwoord - rest

Slide 48 - Diapositive

au , à la, à l', aux
à le     =  au        j'ai mal au doigt ( ik heb pijn aan de/mijn) vinger
à la     =  à la      j'ai mal à la tête (ik heb hoofdpijn)
à l'       =  à l'       j'ai mal à l'oreille (ik heb pijn aan het /mijn oor)
à les   =  aux     j'ai mal aux oreilles (ik heb pijn aan de/mijn oren)
apprendre 10 blz 40

Slide 49 - Diapositive

Avoir mal à - pijn hebben aan
J'ai
Tu as
Il,elle a
Nous avons
Vous avez
Ils, elles ont
mal au
mal à la
mal à l'
mal aux
doigt
tête
l'oreille
oreilles
onderwerp - werkwoord - rest

Slide 50 - Diapositive