Paragraaf 4.2

Hoofdstuk 4
Goed gemaakt?

1 / 15
suivant
Slide 1: Diapositive
EconomieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

Cette leçon contient 15 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

Éléments de cette leçon

Hoofdstuk 4
Goed gemaakt?

Slide 1 - Diapositive

Planning
Even herhalen
Nakijken huiswerk
Uitleg 4.2
Doorloop de les in LessonUp
Huiswerk maken (opdracht 19 t/m 34)

Slide 2 - Diapositive

Herhaling
Bedrijfskolom
Toegevoegde waarde
Productiekosten
Kostprijs per product

Opdracht: schrijf in je eigen woorden op wat de begrippen betekenen en met elkaar te maken hebben.


timer
5:00

Slide 3 - Diapositive

Huiswerk Bespreken

Slide 4 - Diapositive

Leerdoelen
Aan het einde van de les kun je de volgende vragen beantwoorden:

  • Wanneer ben je een ondernemer?
  • Wat zijn de drie verschillende productiefactoren?
  • Hoe bereken je de winst van een bedrijf?

Slide 5 - Diapositive

Productiefactoren
Bij het produceren van goederen/diensten zijn er een hoop verschillende dingen nodig - productiefactoren
 
Alles kan onderverdeeld worden in drie categorieën:
Kapitaal
Arbeid
Natuur

Slide 6 - Diapositive

Bedrijven
Een ondernemer is iemand die een eigen bedrijf heeft


Als consument kun je bij de aankoop van producten verschillende ondernemingen/bedrijven bekijken en vergelijken

De verschillende ondernemingen/bedrijven zijn elkaars concurrenten


Slide 7 - Diapositive

Winst berekenen
De opbrengst van de verkoop is het geld dat je ontvangt door goederen/diensten te verkopen

Van deze opbrengst betaal je al je kosten

Wat overblijft is de winst
Winst = opbrengsten – kosten


Slide 8 - Diapositive

Opdracht 23 en 31

Slide 9 - Diapositive

Aan het werk!


Maak opdrachten 4.2 (19 t/m 34)





Slide 10 - Diapositive

Wanneer kan je omschreven worden als een ondernemer?

Slide 11 - Question ouverte

Wat zijn de drie verschillende productiefactoren?

Slide 12 - Question ouverte

Opbrengsten= €110
kosten = €30,-
Winst?
A
€140,- winst
B
€80,- verlies
C
€80,- winst
D
€110,- winst

Slide 13 - Quiz

Hoe bereken je de winst?
A
Winst = Opbrengsten + Kosten
B
Winst = Opbrengsten
C
Winst = Opbrengsten/Kosten
D
Winst = Opbrengsten - Kosten

Slide 14 - Quiz

Wat heb je geleerd van deze les?

Slide 15 - Question ouverte