1. Lezen H5 - tekstdoelen

Leesvaardigheid
1 / 22
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

Cette leçon contient 22 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

Éléments de cette leçon

Leesvaardigheid

Slide 1 - Diapositive

Volgende les:
Signaalwoorden en tekstverbanden

Wat weten we nog..?

De vorige les

Slide 2 - Diapositive

Wat is een signaalwoord
Wat zijn signaalwoorden?
A
Woorden die verbanden tussen zinnen leggen
B
Woorden die zelfstandig een betekenis hebben
C
Woorden die iets zeggen over het zelfstandig naamwoord
D
Woorden die extra informatie geven

Slide 3 - Quiz

Wat is een signaalwoord voor een toelichtend verband?
A
en
B
hoewel
C
zoals
D
vervolgens

Slide 4 - Quiz

Wat beschrijft een chronologisch verband?
A
Hoe laat iets gebeurt
B
Wanneer iets gebeurt
C
Extra informatie
D
Gebeurtenissen in de juiste tijdsvolgorde

Slide 5 - Quiz

In welke zin staat een signaalwoorden voor chronologisch verband?
A
Het is bijna kerstvakantie.
B
Meestal lezen we op de vrijdag.
C
25 december is het Kerstmis.
D
Ik heb honger!

Slide 6 - Quiz


Wat zijn signaalwoorden voor een opsomming?
A
ten eerste, ten tweede, ook, ten slotte, verder
B
maar, echter, toch, enerzijds, hoewel
C
voordat, eerst, vroeger, intussen, tijdens
D
dus, daardoor, hieruit volgt, kortom

Slide 7 - Quiz

Volgende les:
Begin 'Lezen' H5 -> tekstdoelen
Deze les:

Slide 8 - Diapositive

Volgende les:
Een schrijver wil iets bereiken met zijn tekst: hij heeft een doel. 
Er zijn vier tekstdoelen: 
  1. Amuseren
  2. Informeren
  3. Overtuigen
  4. Activeren

Om het tekstdoel te bepalen, moet je bedenken wat de schrijver met de tekst wil bereiken
'Lezen' H5
Het doel van een tekst

Slide 9 - Diapositive

Volgende les:
'Lezen' H5
Het doel van een tekst
Tekstdoel
De schrijver wil
Amuseren
Informeren
Overtuigen
Activeren

Slide 10 - Diapositive

Volgende les:
'Lezen' H5
Het doel van een tekst
Tekstdoel
De schrijver wil
Amuseren
je vermaken
Informeren
Overtuigen
Activeren

Slide 11 - Diapositive

Volgende les:
'Lezen' H5
Het doel van een tekst
Tekstdoel
De schrijver wil
Amuseren
je vermaken
Informeren
dat je iets te weten komt
Overtuigen
Activeren

Slide 12 - Diapositive

Volgende les:
'Lezen' H5
Het doel van een tekst
Tekstdoel
De schrijver wil
Amuseren
je vermaken
Informeren
dat je iets te weten komt
Overtuigen
dat je vindt dat hij gelijk heeft
Activeren

Slide 13 - Diapositive

Volgende les:
'Lezen' H5
Het doel van een tekst
Tekstdoel
De schrijver wil
Amuseren
je vermaken
Informeren
dat je iets te weten komt
Overtuigen
dat je vindt dat hij gelijk heeft
Activeren
je overhalen om iets wel of niet te doen

Slide 14 - Diapositive

Volgende les:
Bedenk bij ieder tekstdoel een tekstsoort. In wat soort tekst wil een schrijver je amuseren, informeren, overtuigen en activeren?
'Lezen' H5
Het doel van een tekst
Tekstdoel
De schrijver wil
Amuseren
je vermaken
Informeren
dat je iets te weten komt
Overtuigen
dat je vindt dat hij gelijk heeft
Activeren
je overhalen om iets wel of niet te doen
timer
1:00

Slide 15 - Diapositive

Tekstdoelen

Een politierapport heeft als tekstdoel:
A
Informeren
B
Amuseren
C
Activeren

Slide 16 - Quiz

Tekstdoelen

Een menukaart heeft als tekstdoel:
A
Informeren
B
activeren
C
amuseren
D
overtuigen

Slide 17 - Quiz

Wat is het tekstdoel?
Wat is het tekstdoel?
A
informeren
B
activeren
C
amuseren
D
overtuigen

Slide 18 - Quiz

Wat is het tekstdoel?
Wat is het tekstdoel?
A
overtuigen
B
activeren
C
informeren
D
instrueren

Slide 19 - Quiz

Tekstdoelen

Een reclametekst heeft als tekstdoel:
A
Informeren
B
Overtuigen
C
Activeren

Slide 20 - Quiz

Nakijken hw 
Opdracht 1 
Opdracht 2 
1 iemand (Maikel van Hoof) met een extreme hobby
2 eigen antwoord
3 en (2x)
4 (1) Hij maakt een praatje met Hans van Tol, de eigenaar van de Turbopolyp. (2) Hij koopt tien penningen. (3) Hij neemt plaats in de gondel. (4) Hij maakt de beugel vast.
5 (1) eerst; (2) Daarna; (3) vervolgens; (4) tot slot
6 de Turbopolyp, de Booster Maxxx en de Autoscooter (alinea 3)
7 Hij bedoelt met ‘spektakel’ een bijzondere of indrukwekkende show.
8 tegenstelling
9 … dat was niet zo. / dat bleek helemaal niet waar te zijn.
10 eigen antwoord
1 koerijden
2 eigen antwoord
3 a herkauwen (al. 2): voedsel nog een keer verwerken
b tuigje (al. 2): riempje
c schoft (al. 2): schouder van een groot viervoetig dier (eigenlijk: een hoge plek tussen de schouders)
d Spaanse pas (al. 4): stap waarbij een dier zijn voorpoot hoog optilt en naar voren strekt
e een verschil van dag en nacht (al. 5): een groot verschil
f jolig (al. 5): vrolijk; uitbundig
g met beleid (al. 6): voorzichtig
h beuken (al. 6): met grote kracht slaan/duwen
4 Ze mocht van haar ouders geen paard hebben, maar er waren wel voldoende koeien in de buurt; daarom is ze gaan koerijden in plaats van paardrijden.
5 (1) De rug van een koe is breder dan die van een paard. (2) Een koe heeft geen schoft en een paard wel.

Slide 21 - Diapositive

Huiswerk en toets
Hw
Toets donderdag 27 maart
Lezen H5, blz. 132 
opdracht 1 en 2
Voor a.s. donderdag
Lezen H1 t/m 6
Teksten met vragen. 
Eén tekst mag je door middel van Close Reading voorbereiden. 

Theorie uit groene blokken leren: blz. 12, 42, 72, 102, 132 en 162
 

Slide 22 - Diapositive