SE 2 H4,5 en 7 vmbo 3

SE 2 H4, 5 en 7 vmbo 3
- wetenschappelijke notatie, grote en kleine getallen
- schaduw tekenen, zonnenstralen en lamplicht
- gelijkvormige driehoeken (factor berekenen)
- vergelijkingen oplossen (balansmethode)
- exponentiele formule (met factor en exponent)
- inklemmen, met dubbele tabel


1 / 35
suivant
Slide 1: Diapositive
WiskundeMiddelbare schoolvmbo k, g, t, mavoLeerjaar 3

Cette leçon contient 35 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 50 min

Éléments de cette leçon

SE 2 H4, 5 en 7 vmbo 3
- wetenschappelijke notatie, grote en kleine getallen
- schaduw tekenen, zonnenstralen en lamplicht
- gelijkvormige driehoeken (factor berekenen)
- vergelijkingen oplossen (balansmethode)
- exponentiele formule (met factor en exponent)
- inklemmen, met dubbele tabel


Slide 1 - Diapositive

Wetenschappelijke notatie
Sleep de notaties naar de juiste plek
wel
niet
8 x 107
13 x 104
0,4 x 1011
8,76 x 106
1,3 x 10-5

Slide 2 - Question de remorquage

De wetenschappelijke notatie van 951000 is:
A
951×103
B
95,1×104
C
9,51×105
D
9,51×104

Slide 3 - Quiz

2.300.000.000 is in de

Wetenschappelijke notatie:
A
2,3×108
B
23×108
C
2,3×109
D
2,3×1010

Slide 4 - Quiz

Wat is de wetenschappelijke notatie van 0,0023 ?
A
2,3×104
B
2,3×104
C
2,3×103
D
2,3×102

Slide 5 - Quiz

Wat is de wetenschappelijke notatie voor 0,00073

Slide 6 - Question ouverte

Wat is de wetenschappelijke notatie voor 3,5 miljard?

Slide 7 - Question ouverte

Slide 8 - Diapositive

Neem plaatje 1 en 2 over en teken de schaduwen. 
Upload je foto op de volgende slide ...

Slide 9 - Diapositive


Upload hieronder een foto van je schaduwtekeningen

Slide 10 - Question ouverte

ABC is gelijkvormig met
DEF. Met welke factor
moet je ABC vergroten om DEF te krijgen?
A
0,6
B
1,25
C
1,3
D
1,5

Slide 11 - Quiz

Met welke twee zijden kun je de factor berekenen?
A
KL en LM
B
KL en KP
C
KM en KQ
D
KM en QK

Slide 12 - Quiz


Hoe bereken je de factor?
A
8 : 24 = 0,33..
B
36 : 8 = 4,5
C
24 : 8 = 3
D
8 : 36 = 0,22...

Slide 13 - Quiz


Hoe groot is zijde DF?
x 0,75
A
DF = 12 x 0,75 = 9
B
DF = 10 x 0,75 = 7,5
C
DF = 6 x 0,75 = 4,5
D
DF = 10 : 0.75 = 13,33..

Slide 14 - Quiz

Welke twee driehoeken zijn gelijkvormig?
A
Driehoek KNPM en driehoek LNP
B
driehoek KLM en driehoek NLP
C
driehoek KMP en driehoek KLP
D
driehoek MPL en driehoek KLN

Slide 15 - Quiz


Neem de twee driehoeken over. Schrijf alles was je weet over de driehoek er bij. (dus letters bij de hoekpunten en maten bij de zijden waarvan je dat weet)

Slide 16 - Question ouverte


Bereken PN. Laat zien hoe je de factor berekent en welke berekening je daarna maakt om de lengte van PN te berekenen. Geef je eindantwoord zo: PN = ..... cm

Slide 17 - Question ouverte

Toename en afname. Ga uit van 100%
         Welke factor hoort erbij?



1,25
1,75
0,75
0,25
75 % erbij
25 % erbij
75% eraf
25% eraf

Slide 18 - Question de remorquage

De groeifactor is 0,9.
Het neemt elke keer af met ..... %
A
90
B
5
C
10
D
190

Slide 19 - Quiz

Welke factor hoort bij 30% eraf?
A
0,30
B
0,70
C
1,30
D
1,70

Slide 20 - Quiz

Wat is de groeifactor in deze formule?
N=30000,7t
A
N
B
3000
C
0,7
D
t

Slide 21 - Quiz

Welke factor hoort bij 0,8% erbij?
A
0,08
B
0,8
C
1,08
D
1,008

Slide 22 - Quiz

Hoeveel procent komt erbij of gaat eraf met een factor van 0,93?
A
93% erbij
B
93% eraf
C
7% erbij
D
7% eraf

Slide 23 - Quiz

Een ijsje kost €2,- exclusief 21% btw.
Met welke factor moet je de prijs vermenigvuldigen?
A
0,21
B
1,21
C
0,79
D
1,79

Slide 24 - Quiz

Hoeveel euro moet je nu voor het ijsje betalen? (het ijsje was €2,- en de factor was 1,21)
A
€3,21
B
€2,21
C
€0,79
D
€2,42

Slide 25 - Quiz

Prijs in € = 1000 x 1,025t
Begingetal: het getal wat niet bij de letter staat.
(Hier begint 'je verhaal', je meting)
Groeifactor: staat bij de letter.
de toename of afname verrekend met 1 = 100 % 

0,..... afname                                                              1,....... toename

Slide 26 - Diapositive

In 2020 is meneer Smolders gaan sparen voor zijn dochter. Hij begon met €2000, per jaar krijgt hij 7% rente. Geef de formule.

Slide 27 - Question ouverte


Hoeveel geld staat er na 2 jaar op de rekening?
prijs=20001,07t

Slide 28 - Question ouverte


Hoeveel geld staat er in 2030 op de rekening?
prijs=20001,07t

Slide 29 - Question ouverte


Los de volgende vergelijking op met de balans methode
A
x=2
B
x=7
C
x=9
D
ik weet niet hoe ik dit moet doen

Slide 30 - Quiz


Los deze vergelijking op met de balans methode en lever een foto van de hele uitwerking in

Slide 31 - Question ouverte

Een snijpunt berekenen met een kromme grafiek, kan je doen met het maken van een tabel. Door een schatting te maken van de x-coördinaat, weet je bij welke getallen je moet gaan 'zoeken'. 

Slide 32 - Diapositive


Eerst dit: hoe heet de formule die hoort bij de blauwe lijn?
A
x = 400
B
y = 400

Slide 33 - Quiz


Bereken de x-coördinaat van het snijpunt van deze vergelijking: 

Slide 34 - Question ouverte

Als je, met goede voornemens het nieuwe jaar ingaat; komt het dan goed met dit SE?
😒🙁😐🙂😃

Slide 35 - Sondage