Cette leçon contient 22 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 1 vidéo.
La durée de la leçon est: 50 min
Éléments de cette leçon
welke spreekwoorden ken je?
Slide 1 - Carte mentale
Letterlijk en figuurlijk
Slide 2 - Diapositive
Leerdoelen
Ik herken bijzonder taalgebruik.
Ik kan zinnen met overbodige woorden verbeteren.
Ik kan letterlijk en figuurlijk taalgebruik onderscheiden van elkaar.
Slide 3 - Diapositive
Letterlijk en figuurlijk
Je kunt woorden letterlijk of figuurlijk gebruiken.
Als je iets letterlijk bedoelt, dan bedoel je precies wat je zegt of schrijft.
Als je iets figuurlijk bedoelt, dan bedoel je niet precies wat je zegt of schrijft. Dit wordt bijvoorbeeld gebruikt bij spreekwoorden.
Slide 4 - Diapositive
Wat zijn synoniemen ook al weer?
Een ander woord met dezelfde betekenis.
Bijvoorbeeld: liegen - jokken
Slide 5 - Diapositive
Verschil letterlijk en figuurlijk taalgebruik
Letterlijk taalgebruik - je zegt/schrijft precies wat je bedoelt Voorbeeld: Ik ben verliefd. Voorbeeld: Ik ben ziek
Figuurlijk taalgebruik - je zegt/schrijft iets wat je niet letterlijk bedoelt Voorbeeld: Ik heb vlinders in mijn buik. Voorbeeld: ik voel me niet zo lekker
Slide 6 - Diapositive
Letterlijk of figuurlijk?
Slide 7 - Diapositive
Figuurlijk taalgebruik wordt letterlijk genomen.
Slide 8 - Diapositive
Figuurlijk taalgebruik wordt letterlijk genomen.
Slide 9 - Diapositive
Slide 10 - Vidéo
Met figuurlijk taalgebruik bedoel je precies wat er staat.