Je legt in je eigen woorden uit wat observeren is. Je legt uit wat een open en gesloten observatie is.
Je legt uit wat een participerende en niet participerende observatie is.
Je legt uit wat een gestructureerde en ongestructureerde observatie is.
Je legt uit wat objectief en subjectief observeren is.
Je legt uit welke factoren een observator beïnvloeden.
Je werkt drie verslagen uit van momenten waarin je kinderen tijdens betekenisvolle speel- werkmomenten hebt geobserveerd. Dit doe je uitgebreid, feitelijk en objectief.
Je legt daarbij uit welke vorm van observatie je hebt toegepast.
Je legt uit hoe vaak en op welke manier de totale ontwikkeling van een kind gemonitord wordt.
Je laat voorbeelden van registraties zien en legt uit waar naar gekeken wordt.