Cursus 1 §5 tekstverbanden en signaalwoorden

1 / 52
suivant
Slide 1: Diapositive
Mens & MaatschappijMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

Cette leçon contient 52 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 1 vidéo.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min

Éléments de cette leçon

Slide 1 - Diapositive

Slide 2 - Diapositive

timer
10:00

Slide 3 - Diapositive

  • Leerdoelen §5
  • Uitleg
  • Zelfstandig werken
  • Afsluiting

Slide 4 - Diapositive

Wat doet iemand als hij je gaat instrueren?
A
Hij wil zijn mening duidelijk maken
B
Hij gaat je iets leren
C
Hij wil jou overtuigen

Slide 5 - Quiz

Met welke tekst wil iemand jou tot handelen aanzetten?
A
stripverhaal
B
nieuwsbericht
C
reclametekst
D
een mop

Slide 6 - Quiz

Wat is het tekstdoel?
A
De schrijver wil je iets leren of uitleggen (instrueren)
B
De schrijver wil je iets laten doen (activeren)
C
De schrijver wil je amuseren (amuseren)
D
De schrijver wil zijn mening geven (overtuigen)

Slide 7 - Quiz


  • Je kunt tekstverbanden herkennen aan de hand van signaalwoorden.
Lesdoelen

Slide 8 - Diapositive

Het maken van aantekeningen kan helpen om de uitleg beter te onthouden. 
Aantekeningen

Slide 9 - Diapositive


Signaalwoorden..
A
Verwijzen naar iets in de tekst.
B
Geven aan dat iets van iemand is.
C
Geven een eigenschap aan.
D
Geven een verband aan in de tekst.

Slide 10 - Quiz

Uitlegfilmpje!

Slide 11 - Diapositive

Tekstverband & signaalwoorden 

tekstverband
signaalwoorden
opsomming
ten eerste, ten tweede, ten slotte, ook, verder, en

tijdsvolgorde (chronologie)
vroeger, later, nu, eerst, vervolgens, terwijl, intussen, daarna, nadat

voorbeeld of uitleg
bijvoorbeeld, zoals, als, denk aan

Slide 12 - Diapositive

Tekstverband & signaalwoorden 

tekstverband
signaalwoorden
tegenstelling
maar, hoewel, echter, toch, daarentegen, aan de ene kant … aan de andere kant
oorzaak-gevolg
doordat, daardoor, als gevolg van, dat komt door, het gevolg is
conclusie
dus, daarom, dat houdt in, kortom, concluderend, al met al

Slide 13 - Diapositive

Tekstverband & signaalwoorden 

tekstverband
signaalwoorden
doel-middel
zodat, om te, door middel van, met behulp van

voorwaarde
als (… dan), indien, tenzij, wanneer, mits

Slide 14 - Diapositive

Doel-middel
Bij het tekstverband doel-middel gaat het om het bereiken van een bepaald doel. Hiervoor is een middel nodig.

Bijvoorbeeld: Ik ga vanavond vroeg naar bed, zodat ik morgen fit ben voor de wedstrijd.
Doel: fit zijn voor de wedstrijd
Middel: vroeg naar bed gaan

Slide 15 - Diapositive

Voorwaarde
Het tekstverband voorwaarde geeft aan wat nodig is voordat iets anders kan gebeuren. 

Bijvoorbeeld: Ik blijf in conditie, als ik voldoende sport.

Slide 16 - Diapositive

  • Wat: Maak opdracht 3 en 5 van cursus 1 paragraaf 5 blz. 34 t/m 35.
  • Hoe: individueel
  • Hulp: lesboek, aantekeningen, mevrouw de Vries
  • Tijd: timer
  • Klaar?: werk verder aan opdracht 4 en 6 van  paragraaf 5.
timer
15:00

Slide 17 - Diapositive

Welk signaalwoord past in de zin: In een democratie zijn er behalve verkiezingen, ........... vrijheid van meningsuiting en vrije pers.

A
ook
B
daarom
C
dus
D
vervolgens

Slide 18 - Quiz

Welk signaalwoord past in de zin:
Een appel is ................................ tot een banaan rond en hard.

A
in tegenstelling tot
B
ondanks
C
evenals
D
behalve

Slide 19 - Quiz

Welk signaalwoord past in de zin:
Iedere partij heeft een eigen mening over het onderwijs, .... de leraren moeten meer salaris krijgen.
(voorbeeld - toelichting)
A
aangezien
B
omdat
C
want
D
zoals

Slide 20 - Quiz

Voordat ze het vliegtuig mochten betreden werden de paspoorten gecontroleerd.
Wat is het signaalwoord?

Slide 21 - Question ouverte

Welk tekstverband is dit?

Slide 22 - Question ouverte

Slide 23 - Diapositive

timer
10:00

Slide 24 - Diapositive

  • Leerdoelen §5
  • Herhaling vorige les + uitleg
  • Zelfstandig werken
  • Afsluiting

Slide 25 - Diapositive


  • Je kunt tekstverbanden herkennen aan de hand van signaalwoorden.
Lesdoelen

Slide 26 - Diapositive

Doel-middel
Bij het tekstverband doel-middel gaat het om het bereiken van een bepaald doel.
Hiervoor is een middel nodig, iets wat gebruikt wordt om het doel te bereiken.

 Signaalwoorden: opdat, zodat, om te, door middel van, met behulp van.

Bijvoorbeeld: Ik sta ’s morgens vroeg op, zodat ik op tijd bij de bushalte ben.

Doel:
op tijd bij de bushalte zijn
Middel: vroeg opstaan

Slide 27 - Diapositive

Slide 28 - Diapositive

Ik kijk een tutorial
Ik ga collecteren
Ik leer voor mijn toets
omdat ik wil leren vlechten
met als doel zo veel mogelijk geld op te halen
door middel van het kijken op wiskunde academie

Slide 29 - Question de remorquage

Maak een zin met het volgende doel en middel:
Doel: taart bakken
Middel: recept

Slide 30 - Question ouverte

Welk signaalwoord bij doel middel staat er in de tekst?
A
om te
B
staan
C
eerst
D
over

Slide 31 - Quiz

Is het maken van een spiekbriefje
een doel of een middel?
A
doel
B
middel

Slide 32 - Quiz

Voorwaarde
Een voorwaarde is iets wat moet gebeuren, voordat iets anders kan gebeuren.
Het maakt dus duidelijk onder welke voorwaarden iets gebeurt.

Signaalwoorden: als (... dan), indien, tenzij, wanneer, mits.

Bijvoorbeeld:
Ik krijg elke zaterdag vijf euro van mijn vader, als ik zijn auto was.
Wat er kan gebeuren: Ik krijg vijf euro.
Voorwaarde (wat er eerst moet gebeuren): de auto wassen

Slide 33 - Diapositive

Als jij alles voor mij inpakt,
koop ik iets lekkers voor onderweg.
A
toelichtend verband
B
redengevend verband
C
voorwaardelijk verband
D
opsommend verband

Slide 34 - Quiz

Als jij alles voor mij inpakt,
koop ik iets lekkers voor onderweg.

Signaalwoord?

Slide 35 - Question ouverte

Zet de zinnen met signaalwoorden bij de juiste verbanden
Opsommend verband
Tegenstellend verband
Voorbeeldgevend verband
Voorwaardelijk verband
Verband van doel-middel
Voor het feest kopen we behalve chips, ook nog chocolade, en nootjes ook nog eiersalade en toastjes 
Door middel van praten proberen we de ruzie op te lossen.
We wilden Netflix kijken. Zo hadden we de keuze uit Lucifer, the Blacklist of Emily in Paris
Ik ga volgend jaar studeren, tenzij ik zak voor het eindexamen.



Het doel van de volgende wedstrijd is winnen. Daarom trainen we nu extra hard.
Ik moet op tijd opstaan, echter ik druk maar steeds die snooz-knop in. 
Wanneer jij aardig tegen me bent, zal ik dat ook tegen jou zijn.
Ten slotte eindigden we de vakantie met een dagje strand. 

Slide 36 - Question de remorquage

Opdracht 1 en 2
fragment bekijken
vragen maken
bespreken 

Slide 37 - Diapositive

  • Wat: Maak paragraaf 5 van cursus 1 af blz. 33 t/m 37. (Behalve opdracht 8 en 9)
  • Hoe: individueel
  • Hulp: lesboek, aantekeningen, mevrouw de Vries
  • Tijd: timer
  • Klaar?: opdracht 9 alleen maken of lezen in je leesboek. 
timer
15:00

Slide 38 - Diapositive

Welk signaalwoord hoort bij het tekstverband "opsommend"?
A
Ook
B
Alles bij elkaar
C
Al met al
D
Zoals

Slide 39 - Quiz

Bij welk tekstverband hoort dit signaalwoord?
DAARNA
A
Opsommend
B
Tegenstellend
C
Tijdsvolgorde
D
Concluderend

Slide 40 - Quiz

Wat is het signaalwoord voor het opsommend tekstverband in deze zin?
'Amsterdam is ook een mooie stad!'
A
is
B
ook
C
en
D
stad

Slide 41 - Quiz

In de zomervakantie had ik een bijzonder aardig baantje, maar daar heb ik nu geen tijd meer voor.
Wat is het signaalwoord?

Slide 42 - Question ouverte

Welk tekstverband is dit?

Slide 43 - Question ouverte

Extra les

Slide 44 - Diapositive

Slide 45 - Diapositive

timer
10:00

Slide 46 - Diapositive

  • Leerdoelen §5
  • Uitlegfilmpje
  • Opdracht maken
  • Afsluiting

Slide 47 - Diapositive


  • Je kunt tekstverbanden herkennen aan de hand van signaalwoorden.
Lesdoelen

Slide 48 - Diapositive

Slide 49 - Vidéo

  • Wat: Maak de online wikiwijs om te oefenen met tekstverbanden en signaalwoorden.
  • Hoe: individueel
  • Hulp: lesboek, aantekeningen, mevrouw de Vries
  • Tijd: timer
  • Klaar?: lees verder in je leesboek
timer
15:00

Slide 50 - Diapositive

Slide 51 - Lien

  • Wat: Zoek een tekst uit. Beantwoord de vragen op het werkblad.
  • Hoe: tweetallen
  • Hulp: lesboek, aantekeningen, mevrouw de Vries
  • Tijd: timer
  • Klaar?: lees verder in je leesboek
timer
15:00

Slide 52 - Diapositive