Cette leçon contient 52 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 1 vidéo.
Je gebruikt wat als je verwijst naar:
- dat, datgene (dat wat, datgene wat)
- alles, iets, niets, het enige (alles wat, het enige wat)
- overtreffende trap (het mooiste wat, het gezondste wat)
- een hele zin (Jari sport vrijwel nooit, wat slecht is voor zijn conditie)
bij dieren en dingen
Voorbeeld:
Het boek waarover je laatst vertelde, heb ik inmiddels gelezen
bij mensen
Voorbeeld:
De klasgenote met wie ik het liefst samenwerk, heet Petra
Wij gebruiken cookies om jouw gebruikerservaring te verbeteren en persoonlijke content aan te bieden. Door gebruik te maken van LessonUp ga je akkoord met ons cookiebeleid.