Les 49 en 50 persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord

Welkom 1C!
Pak je leesboek er vast bij.
1 / 30
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

Cette leçon contient 30 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 60 min

Éléments de cette leçon

Welkom 1C!
Pak je leesboek er vast bij.

Slide 1 - Diapositive

Vandaag
Ga in de LessonUp en doe mee! 
Daarna opdrachten maken van de brug (woordsoorten)

Slide 2 - Diapositive

Let op:
We zijn dus met woordsoorten bezig, niet met zinsdelen!!

We benoemen dus elk woordje in een zin.


Slide 3 - Diapositive

Deze les...
- Stil lezen
- Doelen doornemen
- uitleg voornaamwoorden

Slide 4 - Diapositive

Woordsoorten herhalen
- zelfstandig naamwoord (zn)
- bepaald (blw) en onbepaald lidwoord (olw)
- bijvoeglijk naamwoord (bn)
- zelfstandig werkwoord (zww) en hulpwerkwoord (hww)
- voorzetsel (vz)

Slide 5 - Diapositive

Zelfstandig naamwoord (zn)
- Mensen, dieren, planten, dingen (medipladi)
- Kan een lidwoord voor staan
- Heeft vaak een enkelvoud en een meervoud
- Kun je vaak een verkleinwoord van maken
- Ook eigennamen zijn zelfstandig naamwoord

Slide 6 - Diapositive

Lidwoord (lw)
- Er zijn drie lidwoorden: de, het, een.
- De en het zijn bepaalde lidwoorden (blw).
- Een is een onbepaald lidwoord (olw).

Slide 7 - Diapositive

Bijvoeglijk naamwoord (bn)
- Bijvoeglijk naamwoorden geven extra informatie over een zn. 
- Ze kunnen voor, maar ook achter het zn staan.
- Ze hebben vaak een korte en een lange vorm.

De rode pen. 
De pen is rood.

Slide 8 - Diapositive

Noteer de bn's uit de zin.

"De geurende, gekruide rijstschotel smaakte erg lekker."

Slide 9 - Question ouverte

Zelfstandig en hulpwerkwoord 
- Het zelfstandig werkwoord (zww) is het belangrijkste  
   werkwoord in de zin. Het geeft aan wat het onderwerp doet of 
   overkomt.
- Hulpwerkwoorden (hww) komen voor in zinnen met meerdere 
   werkwoorden. Ze 'helpen' om het gezegde te maken.

Bij de bakker zou je lekkere gebakjes kunnen kopen.

Slide 10 - Diapositive

Voorzetsel (vz)
- Geeft vaak een plaats, tijd, reden of oorzaak aan.
- Worden ook wel 'kastwoorden' of 'feestjewoorden' genoemd.
- Op, achter, naast, tijdens, langs, van, onder, bij, tussen, ...

Slide 11 - Diapositive

Je leert nu 
wat het verschil is tussen: 
u en uw
Hun en hen
jou en jouw

Slide 12 - Diapositive

Persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord

- Een persoonlijk voornaamwoord (pers.vnw) duidt een persoon, dier of ding aan: Zij varen, ik leg het op de kast, jij speelt vals.
- Een bezittelijk voornaamwoord (bez.vnw) geeft aan van wie 
   iets is. Het staat altijd vóór het zelfstandig naamwoord waar 
   het bij hoort: Jouw schooltas, jullie boeken, mijn sleutels.

Slide 13 - Diapositive

Slide 14 - Diapositive

Persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord

Slide 15 - Diapositive

Persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord

Slide 16 - Diapositive

Noteer de pers.vnw's uit de zin.
Zet er komma's tussen.

"Ik vind het knap van jou dat je in de top-3 bent geëindigd."

Slide 17 - Question ouverte

Noteer de pers.vnw's uit de zin.
Zet er komma's tussen.

"Jullie moeten hem die bal weer teruggeven."

Slide 18 - Question ouverte

Noteer de bez.vnw's uit de zin.
Zet er komma's tussen.

"Mijn broertjes zorgen goed voor hun wandelende takken."

Slide 19 - Question ouverte

Noteer de bez.vnw's uit de zin.
Zet er komma's tussen.

"Zij liet haar verfkwast boven op zijn tekening vallen."

Slide 20 - Question ouverte

Huiswerk

Slide 21 - Diapositive

Wat is het zww in de volgende zin?

"Liam zou een pakje kauwgom hebben gestolen."

Slide 22 - Question ouverte

Aanwijzend en vragend voornaamwoord

- Een aanwijzend voornaamwoord (aanw.vnw) wijst een mens, 
  dier of ding aan. Deze, die, dit, dat, zo'n, zulke, dergelijke, zelf, 
  hetzelfde, dezelfde.
- Een vragend voornaamwoord (vr.vnw) vraagt naar iets of 
   iemand. Wie, wat, welk(e), wat voor (een).
   Andere vraagwoorden zijn bijwoorden (bw).

Slide 23 - Diapositive

Noteer de aanw.vnw'en uit de zin.
Zet er komma's tussen.
"Deze snoepjes zien er heerlijk uit, maar die daar lijken me niet zo lekker."

Slide 24 - Question ouverte

Noteer de vr.vnw's uit de zin.
Zet er komma's tussen.

"Wie weet wanneer het volgende schoolfeest is?"

Slide 25 - Question ouverte

Noteer de vz's uit de zin.
Zet er komma's tussen.
"Toen we gisteravond van de stad naar huis fietsten, kwamen we door het park."

Slide 26 - Question ouverte

Bijwoord (bw)
- Als een bijwoordelijke bepaling (bwb) uit één woord bestaat, is 
   het een bijwoord.
- Bijwoorden kunnen van alles aangeven:
   - Tijd: gisteren, vandaag, morgen, straks, vroeger
   - Plaats: hier, daar, ergens, nergens, er, overal
   - Zekerheid: ongetwijfeld, absoluut, zeker
   - Ontkenning: niet, nooit, geenszins

Slide 27 - Diapositive

Bijwoord (bw)
Het bijwoord kan ook iets zeggen over een ander woord:
- werkwoord: Robert loopt hard.
- bijvoeglijk naamwoord: Het schilderij is erg mooi.
- ander bijwoord: Sietske fietste erg snel.

Slide 28 - Diapositive

Noteer de bw's uit de zin.
Zet er komma's tussen.
"De bijzonder gemotiveerde leerlingen doen morgen zeker mee aan de schrijfwedstrijd."

Slide 29 - Question ouverte

Ik ken de woordsoorten uit klas 1 nog.
😒🙁😐🙂😃

Slide 30 - Sondage