Quiz H5

Quiz H5
Licht
1 / 21
suivant
Slide 1: Diapositive
Nask / TechniekMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

Cette leçon contient 21 diapositives, avec quiz interactifs et diapositive de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min

Éléments de cette leçon

Quiz H5
Licht

Slide 1 - Diapositive

Als wat tekenen wij lichtstralen?
A
Als een streep
B
Als een pijl
C
Als een stippellijn
D
Als een balkje

Slide 2 - Quiz

Geef een van de twee soorten straling die ze zon uitzendt.

Slide 3 - Question ouverte

Natuurlijk licht
Kunstmatig licht

Slide 4 - Question de remorquage

Warm licht heeft meer ... licht in zijn spectrum
A
Blauw
B
Groen
C
Violet
D
Rood

Slide 5 - Quiz

Zwarte voorwerpen absorberen licht:
A
Heel goed en blijven daardoor lang koel.
B
Heel goed en worden daardoor snel warm.
C
Heel slecht en blijven daardoor lang koel.
D
Heel slecht en worden daardoor snel warm.

Slide 6 - Quiz

Waar is het spiegelbeeld?
A
Onder het water
B
Op het water
C
Boven het water

Slide 7 - Quiz

Je wilt de schaduw van een voorwerp tekenen.
Waar teken je de schaduw?
A
Tussen de hoek van inval en de hoek van terugkaatsing
B
Tussen de randstralen
C
Tussen het voorwerp en de lichtbron
D
Tussen het voorwerp en de normaal

Slide 8 - Quiz

Licht heeft een spectrum. Het spectrum van zonlicht bestaat uit de kleuren van de regenboog. Welke zijn dit?
A
Rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet
B
Rood, oranje, geel, groen en blauw
C
Rood, oranje, geel, groen, blauw en indigo
D
Rood, oranje, geel, groen, blauw en violet

Slide 9 - Quiz

Wat is GEEN ioniserende straling
A
infrarood
B
alfa-straling
C
gamma-straling
D
beta-straling

Slide 10 - Quiz

Wat is thermogram
A
Warmtepomp
B
Infrawarmte
C
Thermometer
D
Warmtebeeld

Slide 11 - Quiz

Lenzen hebben twee brandpunten
A
Waar
B
Niet waar

Slide 12 - Quiz

Holle lenzen zijn
A
Positief en divergerend
B
Negatief en divergerend
C
Negatief en convergerend
D
Positief en convergerend

Slide 13 - Quiz

Welke lenzen zijn positieve lenzen
A
A en B
B
C en D
C
A en B en E
D
C en D en E

Slide 14 - Quiz

Bolle lenzen zijn
A
Positief en divergerend
B
Negatief en divergerend
C
Negatief en convergerend
D
Positief en convergerend

Slide 15 - Quiz

In figuur 17 is schematisch getekend hoe zes lenzen het licht afbuigen.

Geef aan bij elke lens + als de lens positief is en − als de lens negatief is.
+
-

Slide 16 - Question de remorquage

Een bril of lenzen voor een bijziend persoon heeft
A
Bolle lenzen
B
Dikke lenzen
C
Negatieve lenzen
D
Positieve Lenzen

Slide 17 - Quiz

Wat is de afkorting die gebruikt wordt voor het brandpunt

Slide 18 - Question ouverte

De brandpunts-afstand is de afstand van de lens tot het brandpunt
A
Waar
B
Niet Waar

Slide 19 - Quiz

Met welk soort lens kun je een reeel beeld maken?
A
Positief
B
Negatief
C
Kan met beiden

Slide 20 - Quiz

Wat is accommoderen?
A
Regelen van de hoeveelheid licht dat in het oog mag komen.
B
Scherpstellen van het oog door de bolling van de ooglens te veranderen.
C
Scherpstellen van het oog door de iris te vergroten of te verkleinen.

Slide 21 - Quiz