Cette leçon contient 17 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.
La durée de la leçon est: 80 min
Éléments de cette leçon
UNIT 4 - FOOD
Lesson 4: speaking
Slide 1 - Diapositive
Slide 2 - Diapositive
Overzicht
Tegenwoordige tijd
(present)
Present simple
Present continuous
Slide 3 - Diapositive
Present simple
De present simple geeft aan dat een werkwoord in de tegenwoordige tijd staat. Je gebruikt de present simple als iets altijd, nooit, of regelmatig gebeurt.
You dance (bij I , you, we, they -> hele ww)
He dances (bij he, she, it -> hele ww + s)
Slide 4 - Diapositive
Maar hoe zit het dan met de....
Slide 5 - Diapositive
Present continuous
present = tegenwoordige tijd
continuous = constant/doorgaand
"I amteaching"
Slide 6 - Diapositive
Present continuous
Je gebruikt de present continuous wanneer je wil aangeven dat iets op dit moment gebeurt.
She is working on her speech at the moment.
They are playing with each other.
Slide 7 - Diapositive
Present continuous
Je vormt de present continuous op de volgende manier:
vorm van to be (am/are/is) + werkwoord + -ing
Slide 8 - Diapositive
Samenvatting
Tegenwoordige tijd
(present)
Present simple: als iets altijd, nooit of regelmatig gebeurt.
Present continuous: om aan te geven dat iets nu bezig is of aan de gang is.
Hele ww
Vorm 'to be' + ww + -ing
Slide 9 - Diapositive
Present simple:
Wat is de regel van de present simple?
A
SHIT-regel
B
hele ww (bij I, you, we, they)
hele ww + s (bij he, she, it)
C
Hele werkwoord
D
Werkwoord + -ed
Slide 10 - Quiz
Present continuous:
Wat geef je aan met de present continuous?
A
Iets dat altijd, nooit of regelmatig gebeurt
B
Iets dat NU aan de gang is
C
Iets dat is gebeurd in het verleden
Slide 11 - Quiz
Present continuous:
Wat is de regel van de present continuous?
A
hele ww+ -ed
B
shit = hele ww+ -s
C
vorm van to be (am/are/is) +
hele ww+ -ing
D
ww + ing
Slide 12 - Quiz
Present Simple vs. Present Continuous
She often ... documentaries.
A
watch
B
is watching
C
watches
D
watching
Slide 13 - Quiz
Present Simple vs. Present Continuous She ......... the piano now.
A
is playing
B
plays
C
is play
D
are playing
Slide 14 - Quiz
Present Simple vs. Present Continuous She always .......... jewellery.
A
are wearing
B
wears
C
is wearing
D
wear
Slide 15 - Quiz
Present simple vs Present continuous Julie ________ (sleep) right at the moment.